VERSTOORDE SYMBIOSE
SPELANALYSE: als therapie bij neurotisch gestoorde kinderen.
…………………………………….
SPEL ALS SIGNAAL
bij liefdesverdriet en gewetensconflicten van het kleine kind.
1e druk. Dr. J A Stades-Veth (1912) te Amsterdam 336 pag., ingenaaid, pocket
ISBN 90.01 .80570 .1, (1973)-DD-. bij H.D.Tjeenk Willink b.v., Groningen.
Voorwoord: Dr W. Westerman Holstijn. Gemakkelijk leesbaar en gericht op
ouders en opleidingen.
SPEL ALS SIGNAAL na ziekenhuisopname van baby of peuter…
Acht speltherapieverslagen met follow-up (1982.)
Deze site is gebaseerd op het werk van Dr. Jo. Stades-Veth (1912). Op grond
van haar doctoraal scriptie over speltherapie was zij van 1934 tot 1938
assistente van Prof. Dr. E.A..D.E .Carp Hoogleraar Psychiatrie aan de
Rijksuniversiteit te Leiden, op de hiertoe pas door hem opgerichte
Psychiatrische polikliniek voor volwassenen te Oegstgeest. In 1934 werd deze
poli uitgebreid met een Psychiatrische kinderpolikliniek. Hier bracht zij
via vrij fantasiespel de speltherapie op gang.
Van acht neurotisch gestoorde kinderen, te weten twee peuters, vier kleuters
en twee schoolkinderen, werden in dit onderzoek vanaf 1934 de als regel
succesvolle speltherapieën onverkort weergegeven.
Voordien stond men machteloos tegenover dergelijke neurotische symptomen,
zowel bij kinderen als volwassenen. Vandaar Freud’s verklaring, dat de
neurotische symptomen van volwassen patiënten hun oorsprong hebben in
symptomen zoals die van deze neurotische kleine kinderen. Daarom werd vanaf
1934 speciaal bij deze patiëntjes hun gevoelsleven via hun spel en ook door
middel van gesprekjes met hen geobserveerd, in de hoop te ontdekken wat er
in deze kinderen omgaat. Het betrof meestal symptomen zoals
slaapstoornissen, angstaanvallen, vooral 's nachts, onhandelbaarheid, zoals
agressiviteit, bijten, schoppen, of bewusteloos neervallen, slecht eten,
stotteren, tics, fobieën, bedplassen, encopresis schijndomheid etc. Bij
ieder van deze oorspronkelijk normale vijf jongsten werd tijdens de
behandelingsuren speciaal , maar meestal vergeefs, gezocht naar redenen voor
het ontstaan van hun neurotische symptomen, waarvan ze ten slotte meestal
verlost werden via spelthera-pie. Maar steeds zonder de reden voor het
ontstaan ervan te kunnen vinden.
Deze kinderen leden allemaal aan een of meer van de bovengenoemde
neurotische symptomen. Zij kwamen een uur per week naar de speelkamer van de
kinderpolikli-niek, gebracht door een van hun ouders. Het grote probleem was
en bleef hoe waren deze jonge kinderen aan deze symptomen gekomen?
Na Freud's uitspraak dat de symptomen van volwassen patiënten hun oorsprong
hebben in de vroegste kinderjaren, was men zeer geïnteresseerd in de
gegevens en de resultaten die het vrije kinderspel van de kleine neurotische
patientjes zou opleve-ren. Vooral naar de aard van de symptomen was men
benieuwd, of deze alleen psy-chogeen of soms ook psychosomatisch waren en
vooral ook naar de omstandighe-den waaronder zij én wanneer zij ontstaan
waren bij deze peuters en kleuters. De hier beschreven patientjes waren
prototypes voor de vele tientallen kleine kinderen, maar ook voor de pubers
die in de loop der jaren vanwege dit soort symptomen op de Psychiatrische
Kinderpolikliniek in behandeling geweest waren. Vandaar dat de op de
kinderpoli verkregen gegevens ook meteen vastgelegd werden, omdat zij van
belang zouden kunnen zijn voor preventie en therapie,juist voor de volwassen
psy-chiatrische (zenuw)patiënten die toentertijd steeds vaker verschenen op
de Psy-chiatrische polikliniek voor volwassenen.
***
Na de eerste twee jaar op de kinderpoli (1936) promoveerde Jo Veth bij Carp
op het proefschrift "Spelanalyse als methode van psychologisch onderzoek en
van behan-deling van kinderen met neurotische verschijnselen." (dr. Jo Veth,
"Spelanalyse," Ydo, Leiden 1936).
Tot begin 1938 bleef zij speltherapieën begeleiden op de kinderpolikliniek
te Oegst-geest.
Als moeder van drie kinderen deed zij steeds ook enige praktijk aan huis.
Vanaf 1952 tot 1972 was zij als speltherapeute parttime verbonden aan de
"Lindenhof" te Schiedam.
De bereikte resultaten bleven positief, maar de oorzaak van de neurotische
symp-tomen bleven nog steeds onbekend!
De resultaten van de speltherapieën waren, zoals ook gebleken was bij
huisbezoek-jes, meestal na een relatief gering aantal behandelingsuren,
verrassend positief.
De vaak in het spel gecamoufleerde inhoud van de spelhandelingen en de
betekenis en de rol daarvan, leverden interessante gegevens op over de
functie van het kinderspel bij de pogingen van de patientjes, hun problemen
en emoties ermee uit te beel-den (voor zichzelf, om het te verwerken). Het
leek meestal eerst niet bedoeld als communicatiemiddel, want als bleek dat
je met hun spel meegeleefd had en de in-houd begreep, schrokken zij en
probeerden dan de meestal agressieve inhoud er-van te verbergen. Als je hem
of haar dan geruststelde en uitlegde dat je, wat je niet in het ècht kon
doen, best spélen mag, gingen zij gauw weer verder met de oor-spronkelijk
gecamoufleerde opzet van hun spel.
Er waren zo veel belangrijke facetten aan de spelhandelingen verbonden, dat
in de zestiger jaren begonnen werd het boek “Spel als signaal bij
liefdesverdriet en ge-wetensconflicten van het kleine kind” voor te
bereiden.
Toen het boek omstreeks 1973 al bijna naar de drukker kon vond schrijfster
het ech-ter zo frustrerend dat de oorzaak voor het ontstaan van de
neurotische symptomen nog steeds niet gevonden was (hoewel deze symptomen
meestal, al spelend en pra-tend tijdens de speltherapie-uren wel verdwenen
waren) dat zij besloot via de Bevol-kingsregisters te speuren naar de
adressen van de destijds, tussen 1934 en1936 behandelde kinderen en die van
hun ouders. Gelukkig met succes, want daardoor konden wij het verloop van
het hele leven van het kind volgen.
De follow-up gegevens na 25 en 30 jaar:
Bij heel minutieus doorvragen rakelden de ouders van de behandelde kinderen,
vaak al grootouders, heel belangrijke herinneringen op, aan meestal zeer
traumatiserende voorvallen uit het eerste of tweede levensjaar van hun kind
of kleinkind, soms zelfs al uit de eerste levensmaanden of zelfs de eerste
levensweken of dagen of zelfs uren van hun kindje
(tangverlossing,voorhoofdsligging, scheidingsperiode door b.v.
zie-kenhuisopname van de moeder e.d.).
Complete scheiding van moeder en kindje:
Er bleek namelijk bij al deze patientjes een heel vroege totale scheiding
van baby of peuter van de moeder te zijn geweest, vrijwel altijd van enige,
of (zeer) vele dagen en vooral nachten, meestal door een opname in een
kinder- of een ziekenhuis. Destijds gebeurde dat altijd zonder dat de moeder
bij haar kind mocht blijven, terwijl de be-zoekuren toen zeer beperkt waren.
Ook een opname van de moeder zelf, waarbij het kindje uit logeren moest bij
b.v. oma of een tante die volstrekt vreemd waren voor het kind. Ook een
scheiding doordat de ouders alleen op vakantie waren gegaan, wat toen nog
zeer ongebruikelijk was.
Ergens te worden achtergelaten, en vooral dáár te moeten gaan slapen zonder
dat moeder teruggekomen was, bleek het ergste wat een klein kindje kon
overkomen. Zij kunnen niets vragen en onze mededelingen en uitleg nog niet,
of verkeerd begrijpen. Je ziet ze bij een dergelijke scheiding vaak
urenlang, hangend over het hekje van box of bedje wachten, starend naar de
deur waardoor moeder verdwenen was.
Verstoorde symbiose:
Bij hun hereniging blijkt hun vroeger zo warme relatie dan vaak geheel
verstoord. In plaats van blijdschap bij het weerzien van elkaar, waarop de
moeder zich meestal al verheugd had, wendde haar kindje zich boos van haar
af en wilde haar niet meer aankijken. Het laat zich soms met duidelijke
tegenzin van degene die het verzorgd heeft, door de moeder overnemen. Soms
wil de peuter niet eens meer mee naar huis. Dit zijn allemaal emotionele
reacties vanuit baby of kindje zelf. Hieruit blijkt hoe voor het eerst hun
eenheid, hun symbiose, de warme band tussen kindje en moe-der, beschadigd en
verstoord kan raken soms voor het leven, indien niet meteen he-lemaal
gerepareerd! (zie het verloop van o.a. het leven van Nettie in "Spel als
sig-naal" blz. 76 en 171.) Dit gaat bijna altijd gepaard met een of meer
symptomen uit het bovengenoemde "Symptomencomplex van een Verstoorde
Symbiose," zoals Freud had aangegeven.
Dit kan later soms nog hersteld worden, indien begrepen wordt dat hiervoor
spelthe-rapie of, indien de patiënt al ouder is, psychotherapie uitkomst kan
brengen.
Maar alle verdriet kan soms nog voorkomen worden door de moeder, wanneer
zij, op het moment van de hereniging, het verdriet en de opgehoopte boosheid
van haar kindje meteen opvangt door het in haar armen te koesteren en te
troosten en het overduidelijk te laten merken dat zij zelf ook blij is haar
baby terug te hebben. Als het kindje al wat begrijpen en praten kan, dan kan
zij ook proberen uit te leggen dat zij haar kindje van de zuster of van de
dokter aan hen af heeft moeten geven. Zij moet vooral de omarming als
therapie toepassen, haar kind "volhardend omarmen",het desnoods een paar
dagen en nachten lang vlak bij zich, liefst tegen zich aan houden, zodat het
kind via moeders “LICHAAMSTAAL” aan den lijve voelt, dat moeder dit "met
hart en ziel meent''.
Het kindje zal haar misschien nog een paar keer op de proef stellen, maar
als moe-der dan toch “lief blijft,” zal het kindje haar misschien weer gaan
vertrouwen en is hun symbiose weer hersteld.
Kwetsbaar vertrouwen:
Hoe kwetsbaar dat vertrouwen nog kan zijn blijkt uit het volgende verslagje:
Miekje gaat voor één dagje naar tante toe. Ze hoeft er beslist niet te
logeren. Dus wuift ze mammie en pappie vrolijk gedag, Ze heeft haar
koffertje mee genomen waarin ze haar knuffel, een voorleesboekje en een
spelletje gestopt heeft.
Ze heeft het gezellig met tante tot ze 's middags haar koffertje openmaakt.
Dan is ze helemaal uit haar doen: Mammie en Pappie hebben haar voor de gek
gehouden! Ze wilden dat ze tóch zou blijven logeren. Haar pyjamaatje,
tandenborstel, een reserve-broekje en een paar sokjes staren haar aan. Toen
haar ouders haar om zeven uur kwamen halen was ze heel boos en afwijzend
tegen hen. Tante had haar ook al ver-zekerd dat er van blijven-slapen geen
sprake was en haar ouders trachtten haar te laten begrijpen dat ze het
pyjamaatje alleen meegegeven hadden "voor-het-geval-dat"….de auto kapot zou
zijn gegaan of zo. Maar dat kon Miekje niet accepteren als een geldige
reden. Het heeft maanden geduurd voor ze beloftes en verzekeringen van haar
ouders weer geloofde.
Allerlei boze plannetjes doorkruisen de gedachten van de kinderen en deze
laten zij de moeders overkomen tijdens het spel. Uit het spel van de
kinderen blijken hun vijandige gevoelens t.a.v. de moeders. Daardoor voelen
kinderen zich schuldig waar-door ze angst hebben voor wraak van de moeder om
hun boze plannen. Angstaan-vallen gedurende de nacht zijn daarvan vaak het
gevolg. Tijdens de speltherapie moet hun verzekerd worden dat hun plannen
wel tijdens het spel mogen worden “ge-speeld,” maar natuurlijk niet in het
echt.
Bij Jackie (zie blz. 106 e.v.) werd het moordspel zo vaak herhaald dat
daardoor zijn woede, ontstaan door het bij herhaling vernielen van zijn
bouwwerken door zijn broertje tenslotte opgesleten was, zodat hij weer
opgelucht en veilig verder kon le-ven.
Zie onderstaande verslagen over de behandelde kinderen:
Jopje
Jopje was 1 jaar en 11 maanden oud. Ze was het enige kind van een al wat
ouder echtpaar. De moeder was met haar naar de Psychiatrische
Kinderpolikliniek geko-men, omdat zij zeer onder de indruk was van de
uitspraak van een bekende ze-nuwarts, die verklaard had dat Jopje lijdende
was aan mongoloïde idiotie, zodat zij maar het beste meteen in een
inrichting voor diep zwakzinnigen kon worden opge-nomen! Het kind zou later
zelfs een school voor buitengewoon onderwijs niet kunnen bezoeken!
Inderdaad hadden Jopje's ogen mongolenplooien. Ze maakte echter al op het
allereerste gezicht een intelligente indruk. Bij het binnenkomen zei ze n.l.
vrolijk goedendag, liep rechtstreeks naar een kastje, haalde de sleutel uit
het slot, bekeek hem, stak hem er weer in en zei: '(s)leute(l) ope dich!' Ze
bleek zich voor een peuter van nog geen twee jaar ook betrekkelijk goed van
de taal te bedienen, al werden de woorden nog gebrekkig uitgesproken. Ook de
zinsbouw was reeds vrij gecompli-ceerd. Nauwkeurigheidshalve werd zij nog op
haar ontwikkelingsniveau onderzocht met de Bühler en Hetzer Kleinkindertest
(1932). De uitkomsten bevestigden de eer-ste indruk. Ze bleek zelfs het
ontwikkelingspeil te hebben van een ouder kind. Op de dag van het
testonderzoek was namelijk haar leeftijd 1 jaar en 360 dagen, terwijl haar
ontwikkelingsleeftijd 2 jaar en 6 maanden bedroeg! Ze had dus een
ontwikke-lingsquotiënt van ruim 1,25. Projecteerden wij de testresultaten
gerangschikt naar de verschillende onderzochte functies in een grafische
voorstelling, dan bleek, dat motoriek, sociale ontwikkeling, leervermogen en
materiaalgebruik een peil hadden van even boven de twee jaar, maar dat het
hoge ontwikkelingsquotiënt te danken was aan de categorie 'eigen
geestelijke productiviteit', waarbij het niveau al lag op het peil van een
kind van ongeveer drie jaar! Van zwakzinnigheid was dus bij Jopje allerminst
sprake, integendeel!
De voornaamste klacht van de ouders was, dat het kindje iedereen beet die
met haar in contact kwam. Verder was ze erg druk en ongezeglijk. Alleen in
het tuintje was ze zoet, maar in huis en op straat was er niets met haar te
beginnen. Ze was dwingerig, kon zich zelf niet bezighouden, liep de hele
dag zeurend achter haar moeder aan, was driftig, huilde en beet als ze haar
zin niet kreeg en ze was erg vernielzuchtig. Eten deed ze uitstekend. Ze
sliep over het algemeen goed, afgezien van enkele nachten waarin zij door
middel van geschreeuw trachtte bij de ouders in bed te mo-gen slapen. Dit
was haar vroeger wel eens toegestaan. Sinds zij in staat was te lo-pen, te
klimmen en dus ook deuren open te maken, sloop zij soms midden in de nacht
stilletjes vanuit haar kamertje naar de ouderlijke slaapkamer, om
voorzichtig bij de ouders in bed te kruipen. Haar aanwezigheid werd dan pas
de volgende morgen opgemerkt. In donker was zij in het geheel niet bang.
Verder was zij nog vrijwel ge-heel onzindelijk.
Over haar eerste ontwikkeling het volgende. Als baby gedroeg zij zich in
geen enkel opzicht opvallend. De moeder gaf grif toe dat ze haar, vooral in
het eerste levensjaar, flink verwend had. Als ze huilde, werd ze opgenomen
en de moeder had zich veel met haar bemoeid. Het gevolg was dat ze altijd
haar zin wilde doordrijven en met hui-len steeds de vervulling van haar
wensen wist af te dwingen. Overigens was zij een lieve, 'gemakkelijke',
tevreden baby geweest. Zij kreeg tot zeven maanden nog vrij-wel volledig
borstvoeding en was zeer gulzig geweest.
Met spenen was nog geen begin gemaakt toen aan deze, voor het kind zeer
bevre-digende toestand, abrupt een einde gekomen was. De moeder moest n.l.
voor een operatie enige weken in het ziekenhuis worden opgenomen. Jopje toen
zeven maanden oud werd zolang ondergebracht in een zuigelingentehuis. Een
bijzonder traumatiserende ingreep, niet alleen door het moeten ontberen van
de borstvoeding, maar vooral ook omdat omstreeks die leeftijd een vreemd
gezicht bijzonder beang-stigend werkt. Plotseling was het dus uit geweest
met alle tot dusver genoten heer-lijkheden. Moeder, die haar altijd zo
vertroeteld had, was ineens helemaal weg, ze kreeg in plaats van
borstvoeding in moeders armen een fles van vreemde zusters. Vader was weg,
de voor elke al wat oudere baby zo belangrijke eigen, veilige, ver-trouwde
omgeving was weg en tegenover de steeds wisselende vreemde verzorg-sters
hielp huilen niets. Daarbij kwam bovendien dat zij bij thuiskomst
doorgelegen bleek door onvoldoende verschoning, zodat ze veel pijn moest
hebben geleden! Die drie weken moeten voor dit kindje dan ook een
verschrikkelijke belevenis geweest zijn.
Toen ze met acht maanden weer in het ouderlijk huis terugkwam, was ze dan
ook geheel veranderd. Van een “gemakkelijke, lieve, tevreden baby” was zij
tot een on-rustig, lastig, tiranniek en humeurig kindje geworden, dat bij
het minste wat haar niet beviel, brulde. Het meest opvallende was echter dat
zij zeer agressief en plagerig geworden was tegen haar moeder, die ze nu
telkens beet en wier liefkozingen zij af-weerde. Haar vroegere
aanhankelijkheid en aanhaligheid was verdwenen. Haar va-der beet ze vrijwel
nooit, maar op levenloze voorwerpen werd de bijtwoede ook voortdurend
gekoeld. Borstvoeding heeft zij na de operatie van haar moeder niet meer
gehad en hoewel zij gulzig en veel bleef drinken en eten, riep ze sindsdien
steeds om 'teetee' (drinken). Ze was en bleef na thuiskomst buitengewoon
druk, agressief en in de contramine en kon zich geen enkel ogenblik alleen
bezighouden.
Deze toestand werd ondraaglijk toen zij met 10 maanden lopen kon. Lang voor
zij 1½ jaar was had zij al een heel repertoire streken op haar programma,
waarvan zij wist dat zij er haar moeder tot wanhoop en ten slotte tot woede
mee kon brengen. Zij maakte acrobatische toeren, door b.v. van een stoel,
via de tafel en een andere stoel, bovenop het buffet te klimmen; een
pasgeverfde keukendeur bekraste zij met een vork; met een schoon jurkje ging
zij zo gauw mogelijk in de modder rollen; nadat zij een kwartier op het
potje gezeten had zonder resultaat, bevuilde zij vliegensvlug enkele hoekjes
van de kamer. De moeder was zich begrijpelijkerwijs soms niet meer meester,
nam tenslotte dikwijls haar toevlucht tot slaan. Ze was tot haar eigen
wan-hoop vrijwel steeds boos op haar kind. De toestand was daar echter
alleen maar slechter door geworden. Jopje's wrok tegen haar moeder nam door
slaag en standjes nog verder toe. Daarbij kwam nog dat de vader, hoewel hij
het soms voor de moeder opnam en Jopje een extra pak slaag gaf, dikwijls
juist wat moeder verboden had, toestond. Op de enige plaats waar Jopje
houdbaar was, namelijk in de tuin, ging het haar in haar eentje vervelen.
Kwam zij op straat, dan beet zij alle kinderen. De moe-der vertelde ons deze
afschuwelijke dingen in tranen.
De mededeling, dat er gezien de resultaten van het testonderzoek bij Jopje
in elk geval geen sprake was van zwakzinnigheid en dat met een verstandige
opvoeding en een wekelijkse behandeling waarschijnlijk verbeteringen
mogelijk zouden zijn, was een grote opluchting voor haar, vooral toen zij
bovendien nog te horen kreeg dat een zo plotseling spenen, gepaard aan een
wekenlange uithuisplaatsing zonder enig contact met de moeder, bij elke baby
hoe 'normaal' ook een grote verstoring zou hebben teweeggebracht.
Hoe wetmatig psychopatiserend, misschien zelfs, 'psychotiserend', een lange
schei-ding van de moeder, juist op deze leeftijd en speciaal na zo'n
langdurige goede rela-tie was, wisten wij toen nog niet, want de publicaties
van Ribble (1944), Spitz (1945) en Bowlby (1951) waren toen nog niet
verschenen. In de laatste twee hoofdstukken komen wij hierop nader terug.
Er werd aan de moeder uitgelegd, dat zij en haar man bij de opvoeding één
lijn moesten trekken en niet meer moesten slaan, verder dat zij tijdens de
behandelingsperiode en waarschijnlijk nog lang daarna, de onhandelbaarheid
van hun kind vooral met veel geduld moesten zien te verdragen zonder boos
te worden en vooral zonder haar af te wijzen.
Eerste behandelingsuur:
Spel: Jopje is in het geheel niet verlegen; na de verzekering dat mamma niet
weg-gaat, durft ze alleen te blijven spelen. Ze haalt alles overhoop, kijkt
in alle dozen, om de inhoud direct daarna weer opzij te leggen. In een paar
minuten ligt het vloerkleed vol speelgoed. Ze trekt een popje uit elkaar,
wil alles kapot trappen of gooien. Als haar bij wijze van proef vriendelijk
verzocht wordt dat niet te doen, doet zij het juist wel. Ze laat zich echter
direct afleiden. Meermalen vraagt zij om 'teetee' en drinkt dan gulzig en
vol genot wat water.
Ze haalt het hele poppenhuis leeg en doet er verder niets mee. Ze speelt in
het ge-heel niet, gaat rusteloos verder met onderzoeken en overhoop halen.
Tweede behandelingsuur:
Verloop: Toestand onveranderd.
Spel: Weer haalt ze alles overhoop, totdat ze de klei ontdekt. Ze maakt er
kleine rol-letjes van, plukt er stukjes af, wrijft het plat en bijt erop.
Bijt ook op popjes, meubel-tjes, blokken en vooral op de massiefrubber
beesten. Ze wordt woedend, wanneer het haar niet lukt er de poten af te
bijten en zucht diep van opluchting en tevreden-heid met een uitdrukking
alsof ze dit absoluut moest volbrengen om rust te kunnen krijgen toen ze er
tenslotte in geslaagd was de kop van een massief rubber popje af te bijten.
Constateert voldaan: 'Jopje 'ebijt'! kruipt onder een stoeltje, doet alsof
ze kiekeboe speelt, maar met het kennelijke doel een plasje te doen. Als dit
genegeerd wordt, vind ze het achteraf zelf vies (er werd haar geen verwijt
hierover gemaakt, omdat het duidelijk was dat zij het bedoelde als
plagerij, om er een standje mee uit te lokken) en ze droogde zich met een
handdoek zelf af! Vraagt dan om ‘teetee' en krijgt het.
Om haar tot spelen te brengen, wordt haar een veelvuldig voorgekomen scène
uit haar eigen leventje voorgespeeld: Jopje pop bijt Greetje (een
kennisje). Jopje pop is stout, krijgt geen zoentje van mamma, moet naar
bed, Greetje krijgt een verbandje om haar hand. Jopje kijkt intens geboeid
toe. Dan pakt ze de stoute Jopje pop en vertroetelt haar! Hierop gaat zij
ineens languit op haar zij onder de tafel liggen, de armpjes stevig om haar
eigen borstje geslagen. Ze doet haar ogen dicht en trekt een verzaligd
gezichtje. Ze drukt er 'slapen' mee uit, maar zoals later zou blijken nog
veel meer. Dit leken mij zeer belangrijke spelhandelingen: met de
liefdevolle zorg voor het stoute poppekind Jopje zij zelf nu in de
moederrol en met het vredig gaan liggen er na, geeft zij aan in welke
richting de oorzaak van alle ellende te zoeken is. Volgens de moeder
speelt zij dit slaapspel thuis ook dikwijls.
Verder deelt de moeder het volgende mee: Een buurvrouw gaf aan haar baby de
borst waar Jopje bij was. Jopje vloog toen op haar moeder af, wilde ook
'teetee' en probeerde haar moeders borst te bereiken. Toen dit verhinderd
werd, had Jopje in plaats van woedend en agressief te reageren haar pop
genomen en die aan haar eigen borstje gelegd. Zo was ze volkomen tevreden
geweest. Zij had in het vorige uur de weg naar de magische bevrediging via
het spel (het vertroetelen van Jop-je pop) leren kennen en paste dit nu al
spontaan toe!
Derde behandelingsuur:
Verloop: Ze is thuis rustiger geweest, meer en meer begint zij zelf te
spelen. Ze kan zich al enige tijd alleen bezighouden en is gezeglijker. Ze
bijt nog even erg. De moe-der wordt aangeraden Jopje's stoutigheden te
negeren, er vooral niet boos om te worden. Het 'oude' trauma van het
afgewezen worden zou zich daarmee steeds her-halen, wat de toestand alleen
kan verergeren. Er wordt geadviseerd om haar af te leiden wanneer ze stout
of koppig is, hetgeen in deze ontwikkelingsfase meestal ge-makkelijk lukt.
Spel: Jopje geeft de beer zoentjes en zegt: 'Niet ebijt!'. Ze laat me de
hele poppen-kamer inrichten en de bijtscène uit het vorige uur herhalen. Ze
toont daarbij grote belangstelling. Bijt zelf 'en passant' telkens op een
stuk speelgoed of klei. Ze be-steedt veel tijd aan het in bed stoppen en
eten geven van de popjes. Moeder en va-derpop worden genegeerd. Plotseling
zonder dat ik er enige reden voor kan aange-ven springt zij middenin het
spel op en krijgt een agressieve bui, waarbij zij de in-druk maakt geheel
driftmatig te reageren: Ze maait woest met beide armpjes alles van het
tafeltje af, trapt op het speelgoed, schopt het weg en tenslotte zet ze, me
een in wilde woede vertrokken gezichtje, haar tanden met dierlijke kracht in
de snuit van de beer, rijt er de haren af en tracht een stuk uit de snuit te
bijten. Daarop hapt ze naar mijn arm. Na dit sadistische uitrazen bedaart ze
ineens en zegt meewarig: 'Och, (s)toelties, popjes 'evalle, màgge niet, arme
bee(r)tje 'ebijt!' Ze kijkt me hierbij ener-zijds voldaan, anderzijds wat
angstig aan, maar wanneer ik geen kritiek uitoefen haar accepteer zoals ze
is, dus haar toch lief blijf vinden gaat ze weer rustig verder spelen tot
het eind van het uur verricht zij huishoudelijke bezigheden in het
poppen-huis.
Vierde behandelingsuur:
Verloop: De moeder vindt Jopje rustiger. Ze heeft minder gebeten en speelde
meer alleen, waarbij zij dikwijls het spelletje van het bijtende popje
herhaalde.
Spel: Ze haalt weer al het speelgoed uit de laden, om het meteen weer naast
zich neer te leggen. Meermalen vraagt ze om 'teetee', echter niet omdat zij
dorst heeft, want ze neemt telkens maar een heel klein slokje water. Ze
trekt het jasje van het beertje uit en graait wat in het bakje met knikkers.
Maar echt spelen doet zij niet. Wel gaat zij weer enige malen op de
bovenbeschreven manier op de grond liggen 'sla-pen'. Is dit ook spel? Of
een mededeling? Of 'het leven zelf’? Dat is bij peuters niet uit te maken.
Gezien haar verzaligde gezichtje drukt zij hiermee waarschijnlijk de wens
uit zelf weer baby te zijn (een baby kan nog niet praten, lopen of staan) en
weer als vroeger vertroeteld en gevoed te worden door moeder. Aangezien we
hier geen ze-kerheid over kunnen verkrijgen, wordt alleen maar vriendelijk
toegekeken. Het spel met het bijtkindje wordt ook weer herhaald.
Vijfde behandelingsuur:
Verloop: Het gaat beter; ze heeft nog slechts enkele malen gebeten, meestal
nadat zij zich druk had gemaakt. De moeder heeft haar nieuwe taak erg goed
begrepen en uitgevoerd: zelf haar kind observeren; haar afleiden in koppige
buien; niet boos zijn bij ontlasting deponeren in de kamer en
onzindelijkheid; veel met haar spelen.
Voor plasjes is ze nu zindelijk; ze weigert echter hardnekkig om op verzoek
van de moeder te defaeceren. Ze heeft zich in de afgelopen week zelfs met
ontlasting inge-smeerd. De moeder is zelfs daar niet boos om geworden.
Verder heeft de moeder opgemerkt, dat ze evenals vroeger weer op haar
vingers is gaan zuigen. In vrije momenten speelt de moeder nu met haar. Als
ze in een lasti-ge bui is, leidt zij haar af.
Spel: Geen nieuws. Het slaap en het bijtspel en het vragen om tee tee
wisselen el-kaar af.
Zesde behandelingsuur: (14 dagen later, 8e week).
Verloop: Ze heeft slechts enkele malen gebeten, onder andere een kindje op
straat. Ze was wat rustiger, speelde veel alleen en was gezeglijker en
liever tegen haar ou-ders. Ze was echter nog steeds onzindelijk voor
ontlasting, hetgeen overigens geen abnormaal verschijnsel is voor een kind
van nauwelijks twee jaar.
Spel: Nu ze weer het slaapspel speelt en om 'tee tee' vraagt hebben we wèl
gerea-geerd en gezegd, dat ze een heel klein kindje wil zijn in Mamma's
armen, dat tee tee krijgt uit mamma's borst. Omdat de mogelijkheid bestaat
dat ze ons nog niet hele-maal goed kan begrijpen, gaan we over tot de reeds
vermelde 'gespeelde duiding'. Ik speel haar de hele scène voor met moederpop
en babypop. Jopje kijkt met gespan-nen aandacht toe. Terwijl het babypopje
bij de moederpop drinkt gaat ze weer met een volkomen tevreden uitdrukking
op haar gezichtje op de grond liggen en zegt heel zachtjes: 'Jopje tee tee .
.’
Zevende behandelingsuur: ((één maand later, 12e week)
Verloop: Sinds het vorige behandelingsuur heeft zij voor het eerst helemaal
niet meer gebeten. Ze is rustiger geworden en heeft heel vaak alleen
gespeeld, waarbij het de moeder opgevallen was, dat ze nu dikwijls al
spelend haar pop aan haar eigen borst-je liet drinken. Het spelletje van het
bijtende popje had de moeder deze maand ech-ter haast niet meer opgemerkt.
Het is niet onwaarschijnlijk, dat deze vrij belangrijke verbetering toe te
schrijven is aan de gespeelde duiding in het vorige uur. Ze was echter nog
wel onzindelijk voor ontlasting gebleven en smeerde zich er soms mee in.
Spel: Haar spel levert weer weinig nieuwe gezichtspunten op. Ze vraagt om
'tee tee', speelt weer 'slapen', laat het beertie van haar borst drinken,
stopt popjes in hun bed-jes en dekt ze toe. Ze haalt weer van alles overhoop
zonder ermee te spelen.
Achtste behandelingsuur: (één maand later, 16e week)
Verloop: Ze heeft niet meer gebeten. De moeder is tevreden. Ze is alleen nog
onzin-delijk voor ontlasting. Verder wat koppig en ongezeglijk. Maar wanneer
het de moe-der gelukt was deze koppigheid en ongezeglijkheid te negeren en
haar op die mo-menten af te leiden, voert Jopje even later spontaan het
gevraagde uit!
Spel: Bij wijze van experiment wordt nagegaan of Jopje's onzindelijkheid
voor ontlas-ting gunstig te beïnvloeden is ' door haar vóór te spelen, hoe
mooi moeder ontlasting in een potje vindt en hoe lief en blij mamma is, als
ze het van Jopje op die wijze krijgt. Psychoanalytische ervaringen hadden
namelijk uitgewezen, dat een klein kind ont-lasting beschouwt als een
kostbaar bezit, waarover het zelf beschikken wil. Vandaar dikwijls de
koppige protesten in de vorm van niets in het potje willen doen, maar wel
dadelijk daarop in de broek. Beschouwt de opvoeder echter het excrement als
een kostbaar geschenk, dat niet meteen onder het motto 'vies' weggebracht
wordt en zijn we daarna extra lief tegen het kindje, dan is er een redelijke
kans dat het aldus snel zindelijk wordt.
Op grond van deze overwegingen werd dit tafereel uitvoerig voorgespeeld,
waarbij klei goede diensten bewees. Jopje was een en al aandacht. Even later
herhaalde zij zelf het gehele spel, met een vuurrode kleur van opwinding.
Negende behandelingsuur: (19e week, weer een maand later)
Verloop: Jopje is inderdaad sinds de vorige keer, dus een maand lang,
zindelijk voor ontlasting geweest en heeft het voorgespeelde
'zindelijkheidsspel' thuis telkens her-haald. In de eerste helft van deze
maand waren er geen symptomen meer en had ze zich gedragen als een normale
kleuter. De laatste 14 dagen was het echter minder goed gegaan. Ze heeft
weer gebeten, vooral in levenloze voorwerpen, maar soms ook haar moeder en
voor het eerst ook zichzelf. Anderen beet ze niet meer. Ze heeft weer steeds
het spel van de stoute 'bijtpoppen' gespeeld, die nu echter klappen op de
'bib' krijgen.
Naar aanleiding van het bijten ondervraagd, blijkt ze weer slaag van moeder
te heb-ben gehad. De moeder is namelijk zeer nerveus en gedeprimeerd, sinds
ze 14 dagen geleden om financiële redenen van haar aardige huisje met het
voor Jopje zo be-langrijke tuintje naar een kleine etagewoning heeft moeten
verhuizen. Ze trekt zich deze tegenslag erg aan en vertelt huilend: 'Jopje
was kalmer en liever dan ze ooit geweest is! En ze speelde halve uren
achtereen zonder me te storen. Maar na de verhuizing naar dit akelige huis
kan ik niets meer van haar velen, alles is me te veel, ik ben telkens boos
op haar om niets! Ik laat haar steeds aan haar lot over. Ik kan het niet
helpen, ik kan helemaal niets meer doen. Ze is daardoor veel lastiger
geworden, ze wil me weer bijten, ze is drukker en ze heeft haar ontlasting
zelfs een keer opzettelijk middenin de kamer gedaan! Het schaap kan het
niet helpen dat ze weer zo is; het is mijn schuld, maar ik kan niets voor
haar doen, alles is me te veel; ik weet zelf niet waar ik het zoeken moet.'
In deze toestand was de moeder allerminst geschikt om voor haar kind te
zorgen. We gaven daarom het advies Jopje naar een kleuter-school te sturen.
Spel: In dit uur speelt Jopje weer het spel van het stoute bijtpopje. Ze
bijt in haar handjes, op speelgoed en plotseling ook in mijn hand. Pakt dan
de beer, gaat ermee op de grond liggen, houdt hem tegen haar borstje en
zegt: 'Borsie tee tee drinke.' Nu kan haar zonder kans op verkeerd begrijpen
geduid worden, dat zij nu zelf een lieve moeder is en aan beertje jopje zelf
graag tee tee wil geven uit haar borstje. Net zoals zij vroeger van haar
moeder kreeg. Dit spel is een duidelijk voorbeeld, zowel van pro-jectie als
van identificatie: haar eigen verlangens projecteert zij in het beertje,
terwijl zij zich tegelijkertijd identificeert met de voedende moeder. Op
magische wijze tracht zij zo het complete verloren 'paradijs' opnieuw te
beleven.
Hierna hoorden wij wekenlang niets, tot op een dag het bericht kwam, dat de
moeder wegens een suïcidepoging in een verpleeghuis was opgenomen. Met Jopje
zou het intussen toch goed gaan. Ze was sedert een maand op een
kleuterschooltje. Gezien haar hoge O.Q. (ontwikkelingsquotiënt) was men
bereid geweest het met dit te jonge kindje toch te proberen. Ze gedroeg zich
daar voorbeeldig, had niemand gebeten en zich in geen enkel opzicht
opvallend gedragen. Alleen had ze de eerste dagen moei-te gehad stil te
zitten (!) op haar bankje. Van verdere behandeling kon natuurlijk geen
sprake zijn, omdat er niemand beschikbaar was om Jopje naar de
Kinderpolikliniek te begeleiden, zodat wij alle contact met dit kind
verloren. Hoe de verdere verzorging van Jopje geregeld was werd ons ook
niet verteld.
Bespreking:
Uit de aard van haar verschijnselen, haar gedragingen thuis en uit haar spel
werd langzamerhand duidelijk, dat haar agressiviteit, die zich
voornamelijk richtte tegen haar moeder, voortgekomen was uit verdriet en
woede. Niet alleen omdat ze als hul-peloos kind van zeven maanden plotseling
in de steek werd gelaten in een vreemde omgeving, maar vooral omdat haar
grootste lustbronnen die ze toentertijd kende namelijk de
voedselverschaffende moederborst en de verzorgende vertrouwde moe-der, haar
vader en de vertrouwde omgeving haar tegelijkertijd plotseling ontnomen
waren. Dat Jopje hierop juist met bijten heeft gereageerd, vindt zijn
oorzaak in het feit dat ze de psychotraumatische belevingen van het
plotseling gespeend en verlaten worden onderging in de oraal sadistische
fase van haar driftleven de periode waarin een baby geleidelijk van zuigen
op bijten overgaat. De reactie hierop moest noodza-kelijkerwijs zijn door
middel van bijten te trachten de bevredigende moederborst (moeder) langs
orale weg, zuigend of bijtend, door introjectie of beter incorporatie (Brody
en Mahoney, 1964) weer in zich op te nemen. Dit zou dan gepaard gaan met een
gefantaseerde opheffing, vernietiging van het verloren object. Dat zij,
evenals Grietje (geval 1) inderdaad in haar fantasie hierin geslaagd is,
blijkt uit de tegen zich-zelf gerichte agressiviteit. Ze begint ineens
zichzelf te bijten. Het zich vormende Idea-le Ik zou haar volgens
psychoanalytische opvattingen ertoe gedwongen hebben, de agressiviteit die
eerst het reële object de reële moeder gold, nu ook tegen het
geïntrojecteerde moederbeeld te richten, dat zo een deel van haar eigen
persoonlijk-heid geworden was. Hiermee staat waarschijnlijk in verband, dat
zij in deze periode, waarin zij haar agressiviteit tegen zichzelf begon te
richten, voor het eerst ook tel-kens hevige neurotische angst vertoonde, dat
haar moeder haar plotseling in de steek zou laten. Gedurende het speeluur
ging ze steeds in de gang kijken of haar moeder er nog wel was.
Hoe moest nu aan dit zeer jonge kind van intussen twee jaar en vier maanden
oud worden uitgelegd, dat het boos was op het 'opgeslokte' moederbeeld en
dat zij daar-om zichzelf beet. In het tweede hoofdstuk hebben wij al
uiteengezet, dat het o.i. on-mogelijk is dat een kind van deze leeftijd een
gesproken verklaring kan begrijpen, laat staan een uitleg van deze
strekking. Om deze reden was het dan ook in elk ge-val uitgesloten,
mondeling aan Jopje de samenhang uit te leggen tussen enerzijds het verdriet
om de plotselinge borstonttrekking en haar agressiviteit tegenover haar
reële moeder, anderzijds tegen het geïncorporeerde moederbeeld. Wij vatten
daarom het plan op, het in het daarop volgende uur weer met een gespeelde
duiding te pro-beren. Hiertoe kregen wij echter geen gelegenheid meer,
doordat Jopje's moeder opgenomen werd.
Bij de bespreking van het eerste geval (Grietje) werd verwezen naar
Abraham's pu-blicatie over de psychogenese van de manisch depressieve
psychose. De door hem genoemde voorwaarden zijn zonder moeite ook in
Jopje's voorgeschiedenis terug te vinden. Mogelijk is er hier wederom
sprake van een predispositie voor een ma-nisch depressieve psychose. Dat de
fixatie van Jopje aan de oraal sadistische ont-wikkelingsfase van het
driftleven door traumatiserende omstandigheden van bui-tenaf gevolgd werd
door de depressie met een hernieuwde opname van de moe-der, was een zeer
ongelukkige coïncidentie.
Dat ook voor Jopje de eerste objectbezetting een grote desillusie betekend
had, sprak ook toen al vanzelf. Haar geheel veranderde gedrag na de eerste
scheiding van haar moeder was het vrijwel onvermijdelijke gevolg hiervan.
Het resultaat van de behandeling was niet onbevredigend. Vóór de opname van
de moeder veroorzaakte Jopje ondanks de weinige behandelingsuren nauwelijks
nog moeilijkheden. Na de gespeelde duidingen tot aan het moment dat de
moeder zich abnormaal begon te gedragen, was Jopje sociaal aangepast en
geheel zindelijk ge-weest. Van opzettelijk agressief asociaal gedrag was
geen sprake meer. Vooral van belang was dat ze niet meer beet, want vooral
door het bijten was ze steeds min of meer uitgestoten geweest: de buurt had
de kinderen zorgvuldig uit Jopje's omgeving weggehouden. Het ophouden met
bijten hief haar isolement op en stelde ons in staat het bezoeken van een
kleuterschool aan te raden.
Vanaf het vierde en vooral na het zesde behandelingsuur was Jopie kalmer en
ge-zeglijker geworden. Al naar mate haar speelcapaciteiten toegenomen
waren kon zij de gelukkige tijd bij een warme, veilige, melkgevende moeder
naar eigen believen telkens weer oproepen. Het tevoren rusteloze kindje kon
tenslotte lange tijd achter-een geconcentreerd spelen. Verbeteringen waren
dus wel bereikt, van genezing was echter geen sprake. Na negen
behandelingsuren, verdeeld over zes maanden, is dit ook niet te verwachten,
vooral niet met een zo onstabiele moeder (zie follow up). Re-ageerde de
moeder positief, dan kon Jopje zich, ondanks de bijzonder traumatise-rende
voorgeschiedenis, toch normaal gedragen. Buiten de invloedsfeer van de
moeder, zoals op het kleuterschooltje, eveneens.
De verbeteringen zijn toe te schrijven aan de omstandigheid, dat Jopje
gedurende de behandelingsuren heeft kunnen ervaren hoe bevredigend het is
om te spelen. Al spe-lend assimileerde zij de met haar conflicten
samenhangende affecten. Zo bevredigde zij langs magische weg die wensen, die
in de realiteit onbevredigd moesten blijven. Haar spel had het effect van
een Réalisation symbolique! (Sechehaye 1947.)
Opvallend was dat zij na het 'zindelijkheidsspel' zindelijk gebleven is.
Hieruit blijkt, dat ook een klein kind als Jopje al een gewetensfunctie in
de vorm van het 'aan zichzelf normen opleggen' heeft. Het was bij het
vóórspelen van het spelletje niet nodig, haar te laten zien hoe stout het
wel was onzindelijk te zijn. Dat wist ze heel goed. Ze was onzindelijk,
juist ómdat ze wist dat het verkeerd was en zij er moeder mee kon erge-ren.
Zindelijk zijn moest daarom aanlokkelijk gemaakt worden, door er op te
wijzen, dat een zodanig kostbaar product in een potje alle bewondering
verdient. Sindsdien is zij zindelijk geworden en gebleven. Op één dag na.
Toen de moeder namelijk bij het begin van haar depressie weer nauwelijks
notitie van Jopje nam, geprikkeld te-gen haar deed, haar weer sloeg en
natuurlijk ook geen aandacht had voor haar zin-delijkheidsprestaties, toén
nam het kind wel overdacht wraak door middenin de ka-mer opzettelijk
ontlasting te deponeren. Het succes van deze plagerij, die zich daar-na niet
meer herhaald heeft, was volledig, want de moeder werd woedend. Het pak
slaag nam Jopje op de koop toe. Hier bleek weer duidelijk dat voor een
kleutertje klei een waardevol surrogaat is voor ontlasting en een adequaat
hulpmiddel bij het zinde-lijk worden. Evenals trouwens het spelen met zand
en water, fingerpainting en schil-deren. Zowel Grietje als Jopje voerden met
klei dezelfde handelingen uit, die ze met ontlasting hadden willen doen en
sublimeerden zo deze asociaal geachte activiteiten tot een aanloop voor
latere creatieve prestaties.
Gedurende het derde uur zei Jopje: 'Och, (s)toelties, poppies 'evalle! Magge
niet!'; Arme bee(r)tje 'ebijt'.' Ook hier sprak al het geweten. Ze wist heel
best dat ze iets verkeerds gedaan had! Dat bij dit jonge kind het Ideale Ik
zich al aan het vormen was, staat voor ons vast. Freud had o.i. ongelijk,
toen hij aannam dat het Ideale Ik zich pas in de latente fase vormt.
Normbesef spreekt uit veel reacties van Jopje en Grietje.
Het mondeling dulden, waarvan wij ons slechts enkele keren konden bedienen,
heeft waarschijnlijk niets ter verbetering bijgedragen. Daarentegen was het
effect van de gespeelde duidingen (6e en 8e uur) dat het bijten voor het
eerst en wel gedurende twee maanden, tot aan het begin van de depressie van
haar moeder geheel weg-bleef en dat ze zindelijk werd.
Het spel droeg bij Jopje, ondanks haar 2.1/4 jaar, een duidelijk verhuld
karakter. In het spelletje waarbij zij aan het beertie de borst gaf, werden
eigen wensen in het beertje geprojecteerd, terwijl zij zich gelijktijdig
met haar moeder identificeerde. Hoe door middel van het spel wensen vervuld
kunnen worden, blijkt uit haar tevredenheid bij het spelen van dit zelfde
spelletje thuis met haar pop. Het observeren van de drin-kende baby van de
buurvrouw riep bij Jopje met hernieuwde hevigheid het verlangen wakker naar
de borst van haar moeder. Ze ondervond dat aan dit verlangen in de
werkelijkheid niet voldaan kon worden. Door omkering in het tegendeel, door
van passief actief te worden, kon ze in het spel met haar pop haar verlangen
naar de moederborst toch bevredigen. Een ander voorbeeld van actieve
herhaling in het spel van het passief ondervondene is ook het pak slaag dat
zij het bijtpopje gaf, nadat zijzelf tevoren vanwege het bijten een pak
slaag had gehad van haar moeder.
Dat bij Jopje elke spelhandeling in verband stond met haar conflicten en
dienovereenkomstig ook betekenis had, lijkt wel aannemelijk. Hoewel
bijvoorbeeld het inrich-ten van het poppenhuis en het zetten van de
poppenkinderen op stoeltjes e.d. wel geen andere betekenis zal hebben gehad
dan het overnemen van de rol van de moeder in haar functies in het
dagelijkse leven. Jopje's spel staat ook steeds in dui-delijk verband met
haar conflicten. Onder invloed van de herhaaldwang en geleid door haar meest
intense wensen speelde zij telkens de daarmee samenhangende spelletjes.
Enerzijds kon ze daardoor haar affecten assimileren, anderzijds haar in de
werkelijkheid onvervulbare wensen via haar fantasie als gerealiseerd
beleven.
*
Betty
Betreft: de opname van één dag wegens tonsillectomie bij een tweejarig
meisje, zonder begeleiding door de moeder en de gevolgen daarvan.
Bij de opname (in 1972) moet de moeder, ondanks haar dringende verzoek tot
aan de operatie bij haar te mogen blijven. Betty zonder meer afgeven, s
morgens vroeg al. Omdat zij als ex kinderverpleegster weet wat haar kindje
te wachten staat, en hoe zij haar zal terugkrijgen heeft de moeder al haar
overredingskracht aangewend om het peutertje te mogen begeleiden. Vergeefs
evenwel. Zij mag s middags zelfs niet op bezoek komen; zij mag Betty pas de
volgende middag komen halen.
Bij thuiskomst is haar kindje ongelofelijk van streek: ze is woedend op haar
moeder, wijst haar helemaal af, bijt haar zelfs, iets wat ze nog nooit
gedaan had, wil niet eten, niet gaan slapen, kan niet inslapen en heeft
ontzettende gilbuien ‘s nachts, waarbij zij meestal niet wakker wordt, maar
in haar slaap ligt te wringen en te kronkelen in haar bedje, dan weer
jammerend, dan weer woedend huilend. Bij navraag bleek, dat zij in het
ziekenhuis, als enige peuter, op een kale, witte, lege zaal met vier grote
kinderen geplaatst was, vastgebonden op het ongewone, hoge en grote
ziekenhuisbed. Ook nog op haar rug liggend. terwijl zij gewend was op haar
buik te slapen. Zij bleek heel erg overstuur te zijn geweest en vooral ‘s
nachts steeds wanhopig gehuild te hebben om mammie. Toen mammie aldoor maar
niet kwam, raakte zij er waarschijnlijk, net als veel andere kleine kinderen
in zo'n situatie, van overtuigd, dat mammie haar in de steek gelaten had en
haar kwijt wilde en dat zij haar willens en wetens aan deze "martelaars en
kwelgeesten" had overgeleverd !
Hoe zij de voorbereidingen voor de ingreep beleefd had, en de
gebeurtenissen erna, kon men, zoals gewoonlijk bij deze zo jong geopereerde
kleintjes, nooit meer achter-halen. Doordat deze traumatische herinneringen
tenslotte onbereikbaar voor het be-wuste herinneren worden, behoefde het
niet te verwonderen, dat de nachtelijke angstaanvallen nog lange tijd
voorkwamen. De innerlijke harmonie en de voor een voorspoedige emotionele
en intellectuele ontwikkeling zo noodzakelijke en zo waar-devolle relatie
met haar moeder waren in elk geval voor jaren verstoord.
Jack
Behandeling van Jack, ontleend aart het verslag van mijn lezing op het
Internationale Congres voor Psychotherapie, gehouden te Leiden Oegstgeest
in 1951, ter vergelij-king met het geval III (Benno) uit Spelanalyse. Het
werd gepubliceerd in het Con-gresboek 'The affective Contact' (1951),
overgenomen met toestemming van de uit-gever Strengholt, Amsterdam.
Jack, een jongetje van 5 jaar en 7 maanden, werd mij door de huisdokter
toegezon-den omdat hij reeds gedurende enige maanden meermalen per week
bewusteloos neerviel. Hij viel daarbij met een dreunende slag om meestal
voorover en zo on-verwacht dat soms zijn tanden door zijn, lip gingen.
Terwijl hij op de grond lag maak-te hij trekkende bewegingen met armen en
benen. Hij was dan doodsbleek. Het duurde meestal wel een minuut of twintig
voor hij weer bijkwam. Daarna wilde hij al-tijd nog enige uren in bed
blijven liggen met een warme kruik en met moeder vlak bij zich, omdat hij
zich nog helemaal machteloos en uitgeput voelde. De huisdokter en een
neuroloog achtten epilepsie onwaarschijnlijk en hoopten dat met
psychotherapie verbeteringen te bereiken zouden zijn.
Een oppervlakkige anamnese vertoonde al dadelijk duidelijke analogieën met
het geval Benno uit mijn proefschrift. Uit de door de moeder verschafte
gegevens kon ongeveer hetzelfde beeld gereconstrueerd worden. Zij was een
intelligente vrouw van ongeveer 35 jaar, niet onvriendelijk, maar wel
opvallend zelfverzekerd en drif-tig ongeduldig. Zij bleek echter eerlijk en
zeer bereid tot loyale samenwerking in het belang van het kind. Ze was
orthodox-protestant opgevoed, hetgeen zij naar zij ver-zekerde dagelijks
uitdroeg in haar gezin. Er werd voor en na de maaltijden gebe-den, terwijl
altijd na tafel en voor het slapen gaan uit de bijbel verteld en voorgelezen
werd. Vanaf zijn prilste jeugd had Jackie deze verhalen mee aangehoord.
Afgezien van het tweejarige kleine broertje waren er nog twee oudere
kinderen in het gezin een jongen en een meisje met wie Jackie het redelijk
goed kon vinden. Maar op het kleine broertje zou hij erg jaloers geweest
zijn en er tot voor kort regelmatig conflicten mee gehad hebben, waarbij de
moeder ook telkens betrokken geraakt was.
Bij navraag bleek dat de eerste toevallen van Jack voorgevallen waren in de
periode waarin het kleintje voor het eerst uit de box mocht. Dit is voor de
oudere kinderen uit een gezin meestal een moeilijke tijd, omdat ze dan voor
het eerst geconfronteerd worden met de baby als reële factor in hun leven en
vooral bij bun spel. Als moeder zou je moeten begrijpen dat het kleintje dan
niet alleen uit de box gehaald en losge-laten mag worden op momenten, dat
het iets oudere kind niet in diezelfde kamer aan het spelen is, tenzij je er
zelf bijblijft om het spel van de oudste te beschermen. De eerste
neurotische verschijnselen treden vaak in deze periode bij het oudere kind
op.
Want hoe gaat het meestal: het kleintje wordt wél op het spelende broertje
of zusje losgelaten. Het wil zelf ook groot zijn en 'meedoen', maar
verstoort daarbij het spel onophoudelijk. Het oudere kind probeert vaak met
bewonderenswaardig geduld en instinctief opvoedkundig inzicht het kleintje
af te weren of het af te leiden door het met iets anders te laten spelen,
maar wordt ten slotte boos en duwt het kleintje wat hardhandiger weg, zodat
de baby gaat huilen. Dan gebeurt het merkwaardige: moe-der reageert niet met
haar verstand op de huilende baby, maar met haar instinct!
Ik zou deze situatie nooit zo begrepen hebben wanneer ik niet de gewoonte
aange-nomen had alle opvallende situaties rondom mijn eigen kinderen in hun
wisselwer-king met elkaar en met mij, haarfijn te noteren en uit te zoeken.
Achteraf bleek ik even instinctmatig gereageerd te hebben, waardoor de
oudste zich even onredelijk behandeld gevoeld had als Jackie. Vanuit het
instinct dat je gebiedt het jong te be-schermen, kies je namelijk
ogenblikkelijk de partij van het jong: je pakt het liefderijk op en troost
het, terwijl je intussen verontwaardigde blikken op de 'aanvaller' werpt.
Die is veelal te klein om zijn positie verbaal te kunnen verdedigen krijgt
daartoe ook meestal nauwelijks de kans zodat het spelende kind zich in de
steek gelaten voelt en steeds meer wrok gaat koesteren tegen de kleine
indringer en tegen zijn moeder. Een wijze moeder realiseert zich achteraf
hoe onbillijk ze geweest is en tracht het onrecht goed te maken. Maar in de
meeste gevallen wordt het kleintje kort daarop toch weer uit de box gelaten
met de opdracht aan de oudste… ‘en nou lief zijn tegen baby, hoor! Zij (of
hij) is nog maar zo klein . ..’
Het was duidelijk, dat de situatie bij Jack thuis net zo gegroeid was. Voor
de eerste aanval ongeveer drie maanden geleden kon geen aanleiding genoemd
worden, maar over de daarop gevolgde aanvallen kon moeder met zekerheid het
verband bevestigen met het storende kleintje. Deze aanvallen waren namelijk
herhaaldelijk 's middags bij de zandbak begonnen. De reconstructie leverde
het volgende op:
Terwijl het kleintje zijn middagslaapje deed speelde Jackie vaak in de
zandbak ach-terin de tuin. De moeder vertelde dat hij voor zo'n klein
mannetje werkelijk opvallend mooie kastelen of ondergrondse garages van zand
bouwde. Toch was het geen ogenblik bij haar opgekomen, wat het juist daarom
voor Jack betekend moest heb-ben, dat halverwege de middag de uitgeslapen
peuter telkens weer op hem losgela-ten werd, met de opdracht om vooral lief
voor broertje te zijn! Jacks gebouwen wer-den altijd prompt door de in het
zand rondkruipende peuter vernield. Daar móest de jongen ten slotte wel met
wilde woede op reageren, juist omdat moeder toch al geen begrip toonde voor
zijn verstoorde bouwwerk en hem nog strafte op de koop toe. Moeder gaf toe,
dat ze eigenlijk altijd de baby in bescherming genomen had en Jack zelfs een
paar maal een pak slaag had toegediend, omdat ze zelf zo driftig kon zijn.
Gevraagd, wat ze in haar woede dan soms tegen hem zei, vertelde ze dat ze
wel eens gezegd had: 'Als je niet oppast, sla ik je nog eens dood! ... maar
dat meende ik natuurlijk niet. . .' Op de vraag of ze dacht dat Jack haar
woorden ernstig nam, zei ze eerlijk dat ze nu achteraf eigenlijk geloofde
van wel omdat hij ook altijd heel ernstig op verhalen inging erg gevoelig
was zodat hij bijvoorbeeld met de verhalen uit de bijbel erg meeleefde. Zij
liet uitkomen, dat zij bij de opvoeding van haar kinderen. veel steun had
gevonden bij het geloof. Daarom had zij haar zoontje voorgehouden, dat zijn
agressies tegen zijn lieve broertje erg zondig waren, dat hij dus een kleine
zondaar was waar God niet van kon houden. Ze had getracht hem uit te
leggen, dat hij door zijn zonden mede verantwoordelijk was dus er mee
schuld aan had dat die lieve Here Jezus gekruisigd was!!! Is het een wonder
dat een kind na kennisname van deze verschrikkingen waarin hij op grond van
het gezag van zijn moeder blinde-lings geloofde zijn agressies tegen het
broertje en erger nog, tegen zijn moeder, niet meer in zichzelf durfde te
herkennen en te erkennen? Hij moest dus al zijn woe-de verdringen. Dat wilde
zeggen, dat hij in het vervolg werkelijk écht lief en goed wil-de zijn en
zelfs geen woede en agressie (neiging aan te vallen) meer in zichzelf wilde
voelen. Iedere keer dat zijn woede weer in alle hevigheid gewekt werd, drong
hij die weg en voltrok hij op onbewust niveau zijn eigen vonnis: hij viel
liever zelf 'dood' neer, dan Gods toorn te provoceren en moeders liefde te
verliezen. Hij maakte de zonde van het doden onmogelijk, door telkens zelf
'dood' te gaan zodra met de woede de wens om te doden dreigde op te duiken.
In het dagelijks leven werd hij in die tijd ineens uitermate zorgzaam en
lief 'poeslief' tegen zijn broertje en oppervlakkig bezien ook erg
gehoorzaam en lief tegen moe-der. Wel had men de laatste tijd opgemerkt dat
hij telkens stiekeme dingen deed, zoals de lievelingsbloemen van moeder in
de tuin per ongeluk expres vernielen. Ook op school en op straat was hij de
laatste tijd storend agressief en plagerig geworden. Men had dit aan zijn
ziekte toegeschreven en het begrijpelijkerwijs niet gezien als de pendant
van zijn lief zijn thuis. Het was allemaal het gevolg van het zoeken naar
evenwicht tussen de in hem om de macht vechtende, tegenstrijdige krachten.
Zo vond naast de symptoomvorming een geleidelijke karakterverandering
plaats. Het vroeger zo vriendelijke, ondernemende, sociaal gewaardeerde
jongetje was een schijnheilig plagerig kind aan het worden, dat zichzelf
niet meer kon bezighouden en door de vriendjes op school en op straat meer
en meer afgewezen werd. En dat al-les, om toch maar vooral door zijn moeder
en Onze Lieve Heer geaccepteerd te blij-ven.
In mijn onervarenheid had ik destijds op de Jelgersma kliniek bij Benno's
moeder niet tot in details geïnformeerd naar de wijze waarop in haar gezin
het geloof bij de op-voeding een rol speelde. Wel herinnerde ik mij, dat het
jongetje op een dermate strenge Rooms Katholieke kleuterschool was, dat het
zelfs de verontwaardiging van de moeder gewekt had. De kindertjes mochten
namelijk zelfs op hete zomerdagen niet met blote armpjes en beentjes op
school komen!
Doodswensen van kleine kinderen tegen familieleden, angst voor straf en
zondebe-sef zouden dus rondom Benno, ook wel een rol gespeeld kunnen
hebben en tot ver-dringen van diens wensen geleid kunnen hebben. Werd hij
boos gemaakt of aan ou-de woede of verdriet herinnerd, zodat de oude
agressieve wensen weer in het be-wustzijn dreigden op te duiken, dan moest
ook Benno om aan zijn straf te ontkomen doodvallen vóór hij zichzelf van
zijn woede bewust kon worden. Toen Benno na het dulden van het doodvallen
en na de geruststelling ten opzichte van het hebben van agressies, voor het
eerst symptoomvrij was geworden, werd hij dan ook tegelijkertijd
agressiever, zelfbewuster en voor het eerst kritisch brutaal tegen zijn
ouders. Dat hij hun gezag niet meer erkende demonstreerde hij destijds heel
adequaat door hen bij hun voornaam te gaan noemen. Hij achtte zich toen op
gelijk niveau! Dan hebben Jaap en Annie gejokt.
Gezien de analogie met Benno's geval en omdat de familie van Jack tien dagen
later met vakantie zou gaan., leek het verantwoord om onder deze
omstandigheden via 'Jumping to conclusions' een snellere therapie te
proberen. Mocht dit geen succes hebben, dan kon na de vakantie altijd nog de
gebruikelijke spelanalyse (vrij spel, weinig storen tenzij voor een enkele
duiding samenwerking met de ouders over de opvoeding; een of tweernaal per
week komen) worden toegepast.
Ik wilde namelijk begeleid door speltherapie het zonder twijfel veel te
streng ge-vormde (men kan zelfs gerust spreken van het onverantwoordelijk
streng gevormde) geweten van het kind, welbewust trachten af te breken. Dit
wilde ik doen in samen-werking met de moeder, die in dit gezin in de eerste
plaats de gewetensvorming leid-de. Zij had net als alle ouders haar
overtuiging 'met de paplepel bij het kind inge-goten'. Mocht zij er toe
bereid zijn haar maatstaven in overleg met het kind te her-zien, te erkennen
dat zij uit onwetendheid te strenge eisen had gesteld en er tevens op zou
willen wijzen, dat hij haar te letterlijk geloofd had omdat ook moeders wel
eens iets zeggen dat zij niet menen en ook wel eens overdrijven dan zou zij
op een gezonde basis met dit kind én met haar hele gezin verder kunnen
gaan. De overige kinderen waren er met de opvoeding die ze gehad hadden
natuurlijk ook niet zon-der neurotische of karakterafwijkingen afgekomen.
Kinderen tonen echter meestal veel begrip wanneer zij redelijk benaderd
worden. Een kind is meestal zeer verge-vensgezind, vooral wanneer de
volwassenen ook eens toegeven dat ze iets verkeerd aangepakt hebben. Van
samenwerking met de ouders en met Onze Lieve Heer, omdat aan hem in dit
gezin het hoogste gezag werd toegekend verwachtte ik dan ook het meeste en
het snelste effect.
Vóór ik met Jack ging spelen, wilde ik echter eerst nog zoveel mogelijk
gegevens van de moeder verzamelen over het opvoedkundig klimaat in haar
gezin. Zij kwam daar-bij tot het vertellen van Jackie's reacties op diverse
bijbelverhalen. Het kind moest er wel onuitsprekelijk door gekweld zijn
geweest. Later bleek hij zelfs het gewicht van zijn eigen zonden afgewogen
te hebben tegen die van Kaïn. Kaïn had zijn broer echt dood gemaakt, hijzelf
had het alleen nog maar willen doen en er over gedàcht. Als God nu ook eens
zou willen van vader dat die hém zou offeren net zoals Abraham van God met
Isaak had moeten doen zou God hem dan ook net zo sparen, als hij Isaak
gespaard had? Isaak was altijd een goede zoon geweest . . ., hijzelf niet!
... zelfs moeder wilde hem soms al wel dood maken ... En zou hij er door
zijn zondigheid werkelijk aan meewerken, dat die arme Here Jezus elk jaar
gekruisigd moest worden? En dat tegen Pasen! Op Goede Vrijdag nog wel, als
wij de eieren die we mogen zoeken gaan kleuren!? Hij had het daarom helemaal
niet zo'n 'Goede' Vrij-dag gevonden. Later bleek namelijk dat hij nooit
van zijn moeder had begrepen, dat het allemaal al zo ongelooflijk lang
geleden gebeurd was! Hij had altijd gedacht, dat het elk jaar weer opnieuw
moest gebeuren op Goede Vrijdag. Dat het maar één keer gebeurd was bijna
tweeduizend jaar geleden en dat er tegenwoordig 'niet meer gekruisigd
wordt', luchtte hem enorm op!
De moeder had verteld dat hij het kruisigingverhaal dat zij elk voorjaar aan
de hand van een mooie platenbijbel verteld had steeds vol belangstelling mee
had aange-hoord, dat hij toch zo'n gevoelig kind was, dat zo intens
meeleefde en zelf zo na-dacht!!
Van zijn broer, die na de vakantie ook in behandeling kwam, verkreeg ik dan
ook de hieronder volgende aanvullingen. Deze broer had namelijk ook ernstig
geleden onder de rigoureuze opvoedingsmethoden van zijn moeder. Hij had
daarom beseft, dat het kleine jongetje dat al deze, voor een klein kind veel
te belastende bijbelverhalen volkomen au serieux nam en ze bovendien op
zichzelf betrok grote steun nodig had. Hij had daarom veel met hem gepraat.
Door hem vernamen wij, dat Jack elke avond voor Pasen de bijbelverhalen,
soms spierwit van ellende, mee aangehoord had. Dat hij vooral totaal van
streek was geweest van de afbeelding van de gekrui-sigde Christus, met de
'doorgetimmerde' handen en voeten en al die bloeddruppels op zijn voorhoofd
van die dorens, omdat hij daaraan zelf ook schuld had. Jack wilde er, móest
er, steeds weer naar kijken, terwijl hij het tegelijkertijd niet durfde van
angst. 'Als jij mijn hand vasthoudt, dan durf ik wel,' had het kind
tenslotte tegen zijn broer gezegd en toen hadden ze er samen nog lang naar
gekeken. Omdat het kind zo geschokt bleek van de gebroken ogen van
Christus, had zijn broer gezegd: 'Zie je wel hoe lief de Heer kijkt? Hij
kijkt naar God.' Waarop Jack: ‘Kijkt hij naar God? Kijkt hij niet naar mij?
Oh ... Gelukkig! ...’
De moeder had dit alles tenslotte ook opgemerkt, want ze had dat jaar
'Golgotha maar overgeslagen', omdat Jack er de hele vorige zomer nog over
gepraat had en er zelfs nu nog telkens op terug kwam. Een 'leeg' kruis vond
hij bijvoorbeeld niet erg, dan was het een 'blij' kruis. Maar toen hij het
verlichte kruis op een kerk ontdekte, had hij ineens gezegd: 'Oh jasses, een
kruis' terwijl daar toch (nog) 'niets aanhing'.
Tijdens de inhuldiging van de koningin had nog een schokkende gebeurtenis
plaatsgevonden. De hele familie zat bij de radio te luisteren naar
toespraken en gezang. Opeens was Jack bewusteloos neergevallen. Toen hij
weer bijkwam kreunde hij een paar maal: 'Oh Mamma, al dat bloed! Al dat
bloed! Al dat 'Duitsche Bloed. . .' Zelfs het woord 'bloed' in het Wilhelmus
bleek dus al affectbeladen te zijn voor hem! Het is jammer, dat ik aan het
kind zelf nooit gevraagd heb, wat hij tijdens het zingen van het volkslied
toch eigenlijk gedacht had.
Tijdens dit eerste Kaffeeklatsch gesprek met de moeder, dat intussen al meer
dan twee uur geduurd had, informeerde ik ook nog naar wat zij verder wist
van Jacks er-varingen met bloed. Daarbij schoot haar allereerst het drama om
de wisseltand te binnen. Zijn zusje had à raison van een dubbeltje door
vader een los kiesje er uit la-ten wippen. Jack had ook een losse tand, die
vader echter nog niet los genoeg vond zitten om hem eruit te halen. Maar
Jack was blijven aandringen: 'Ik ga echt niet hui-len, doe het maar!' waarop
vader aan zijn verzoek voldaan had. Lachend was het kind daarna met vader
naar de wc gelopen om zijn mond te spoelen. Toen hij daarbij echter ook een
heel klein beetje bloed uitgespuugd bleek te hebben, was het kind plotseling
voor vaders voeten tegen de grond geslagen, bewusteloos en met een tand door
zijn lip, waardoor hij nu wérkelijk flink bloedde. Hij viel, in
tegenstelling tot Benno, juist altijd voorover bij zo'n aanval. Hij krampte
op vaders schoot nog na en bleef twintig minuten bewusteloos. Toen de dokter
kwam, was hij even half bij kennis gekomen, waarbij het opviel dat hij zich,
nadat hij in bed gelegd was, weer in zijn slaaphouding voorover op zijn
buik gedraaid had. Hij was namelijk op zijn rug neer-gelegd. Toen hij
helemaal wakker werd, was het eerste dat hij tegen zijn moeder zei: Mam, ik
slik mijn spuug nou in.' Misschien was hij bang dat hij anders weer bloed
te zien zou krijgen.
Daarna vertelde de moeder nog een onthullend verhaal over een bloederige
gebeur-tenis twee jaar eerder op de boerderij waar de familie 's zomers
steeds verblijft. Jack, toen drie en een half jaar oud, had altijd erg van
deze vakantieperiode genoten. Hij speelde met de dieren, hielp ze voeren en
verzorgen en trok daarbij veel op met de grote zoon van de boer. Voor een
weekeinde zou er kip gebraden worden door moeder, lekker kip met appelmoes!
Maar achteraf met voor Jackie ... want van zes van het door hem steeds
gevoerde koppel haantjes werden onder zijn ogen door de zoon van de boer
stuk voor stuk de koppen afgehakt, waarna ze opgehangen werden om leeg te
bloeden. Hij had er spierwit en geparalyseerd bij staan kijken, had moeten
overgeven en was bijna flauwgevallen. Hij was begrijpelijkerwijs erg
over-stuur geweest. Sindsdien had hij een tijdlang geen hap vlees willen
eten later vooral geen rood vlees meer terwijl hij daar eerst dol op was.
Hij had de kipjes onder het braden per ongeluk of ook weer uit
onweerstaanbare nieuwsgierigheid in de pan zien liggen 'met opgetrokken
knietjes' en verzucht: 'Hu, Mamma, net allemaal klei-ne dode baby’tjes.'
(Een beeld, dat mij in de loop der jaren al kip bradend vaak weer te binnen
zou schieten.)
Jacks broertje was ten tijde van de kippenhistorie pas geboren, zodat zijn
associatie met blote baby’tjes extra begrijpelijk was! En
schuldgevoelverwekkend! Ik vroeg de moeder, hoe hij zich tijdens de daarop
gevolgde maaltijd gehouden had. Hier werd de moeder wat onzeker en een
beetje verlegen, hetgeen heel begrijpelijk was. Want zij herinnerde zich
weer, hoe onthutst Jack geweest was toen men net als altijd vóór het eten
begonnen was met aan de Here te vragen, deze maaltijd, deze spijs en drank,
te willen zegenen. Dat de Heer tot zo iets bereid was! Dat de Heer bereid
was het slachten van die lieve, kleine kipjes te zegenen begreep hij al
niet, hij zou het Hem niet eens hebben durven vragen. Maar om het opeten
ervan door Hem te laten sanctioneren (terwijl ze in zijn ogen precies dode
baby’tjes leken, zodat het voor het kind bijna een kannibalistisch maal
werd), dat bracht hem helemaal in de war. Bovendien betrapte hij zichzelf
plotseling op de gedachte, dat zo'n slachtpartij niet eens zo'.n gekke
oplossing voor lastige broertjes zou zijn! Als je zo verschrikkelijk slecht
was, dat je zóiets kon denken, dan kon je toch ook best verwachten, dat de
Heer nog eens aan vader op zou leggen om hemzelf net als Isaak te offeren.
Maar hém zou God dan niet redden ... !
Al deed Hij dit wel met de kippetjes, de Heer zou doodgemaakte broertjes
vast niet zegenen! Want dan was je toch zeker net zo slecht als Kain? Dan
was je net zo zon-dig als hij en dan had je veel schuld aan de kruisiging
van Jezus, die daar zo van moest bloeden. Als hij nou eens heel lief voor
broertje werd en in het vervolg écht helemaal geen lelijke, zondige dingen
meer dacht ... Maar telkens werd je weer zo boos gemaakt en dan ging je het
bijna toch weer denken ... En zo had dat kleine mannetje aldoor maar lopen
malen, tot hij eindelijk in het doodvallen de bevrijdende oplossing gevonden
had. Zo kón hij niet zondig meer zijn...
Toen ze de achtergronden begrepen had, had de moeder haar zelfverzekerdheid
verloren. Ze concludeerde, dat ze zich ervoor schaamde dat ze er zo weinig
over nagedacht had, wat het effect van haar godsdienstige activiteiten kon
zijn op de psy-che van haar kleine kinderen, vooral wanneer je er zelf niet
eens naar kunt handelen. Ze meende het echt, toen ze verzekerde dat ze haar
manier van opvoeden grondig zou herzien, want dit heb ik regelmatig
bevestigd gezien in de daarop volgende ja-ren. Haar bonding ten opzichte
van het leven, tegenover haar gezin en haar kinderen maar vooral ten
opzichte van haar geloof, veranderde totaal. Natuurlijk zou het toch nog
beter geweest zijn als ook zij in analyse was gegaan. Zelfs met een geheel
ver-anderde instelling is het een zware opgave zo, grondig de klok terug te
draaien.
Eerste behandelingsuur:
Dit eerste gesprek had ruim twee uur geduurd. Direct daarna kwam Jackie
binnen. Gelukkig, want anders was het niet meer vast te stellen geweest of
de veranderde houding van de moeder dan wel de speltherapie het verdwijnen
van zijn toevallen veroorzaakt had. Tijdens het gesprek met zijn moeder had
hij met mijn kinderen bui-ten gespeeld. Het was een donkerblond jongetje
met krullend haar en ernstige, brui-ne ogen. Hij maakte een nerveuze,
gespannen indruk. Hij leek wel vriendelijk en ze-ker niet afwijzend. Hij
wist dat hij voor zijn 'flauwvallen' bij mij in behandeling kwam. Hij was
direct bereid contact te leggen en vertelde op verzoek meteen wat hij in de
uren dat moeder met me gepraat had allemaal gedaan had. In tussen begon hij
met de trein te spelen.
Omdat ik meende begrepen te hebben met welke problemen hij worstelde terwijl
we nog geen twee weken de tijd zouden hebben vóór de vakantie begon besloot
ik, dit keer voor het eerst eens mijnerzijds het heft in handen te nemen en
niet af te wach-ten tot het kind zelf met z’n problemen zou komen. Ik
besloot dus de hierboven. weergegeven problematiek rechtstreeks aan te
snijden. Terwijl hij de trein liet rondrij-den, maakte ik vlak naast het
circuit op de grond zittend, met een hoge augurken-bus vol klei naast me een
hele kleifamilie van vader, moeder, broers, zusjes en ook een heel klein
baby’tje, die ik stuk voor stuk naast elkaar op de rand van de bus zet-te.
Ik deed, alsof ik dit voor mijn eigen plezier deed, om ook wat te doen te
hebben, en zei dat ik poppetjes ging maken, waar hij overigens niet de
minste belangstelling voor toonde als machinist. Toen de kleifamille
gezellig boven op de rand zat zei ik: ‘Kijk es, een hele familie!' Hij keek,
al rondkruipend met de trein alleen even op en kroop toen weer verder zonder
een woord te zeggen en met een uitdrukking op zijn gezicht van: 'Laat me
nou met rust, ik ben zèlf toch aan het spelen.' Maar bij het vol-gende
rondje keek hij weer even op en stootte onder het kruipen en voortduwen van
de trein even met zijn hand het baby kleipopje van de rand af, de diepe bus
in, waar-na hij of er niets gebeurd was verder kroop. Ik zei: 'Vind je het
met prettig als er kleine kindertjes bij zijn?' 'Nee,' was zijn antwoord.
Ik: 'De meeste grote jongens vin-den kleine broertjes en zusjes lastig. Dat
zijn ze meestal ook.' Hij keek even ver-baasd op onder het voortduwen van
de locomotief. Ik weer: 'Heb jij dan geen last van je broertje?' Ja, soms
wel.' Ik: 'De meeste grote kinderen hebben vooral als ze aan het spelen zijn
zo'n last van die kleintjes. Ze worden er soms zo woedend door, dat zij ze
gewoon wég wensen. Soms denken ze zelfs wel es: was dat lastige wurm maar
nooit geboren, was ie maar dood!'
Nu reageerde hij helemaal! Hij stopte met de trein, ging rechtop zitten en
zei: 'Maar ... dat is toch zondig!??' 'Welnee,' zei ik, 'dat mag je toch wel
dénken! Als je het maar niet echt doet! Je mag het gerust denken en spelen,
als je zo boos gemaakt bent. Je speelt het nou toch ook dat het kleinste
kind van de familie in een diepe put of van de toren valt! Dat hindert toch
niets. Daar heeft je broertje toch geen last van!' Tijdens dit gesprekje zat
hij naast de bus en was bezig met zijn vuistje het op de bodem van de bus
liggende 'broertje' 'in gedachten verzonken' helemaal plat te stampen. Ik
consta-teerde: 'Nou die is nu wel goed dood, ik zal weer een nieuw
poppekindje maken.' Zo-dra de nieuwe baby op de rand van de bus gezet was
mikte hij het weer in de diepte en stampte hij het weer plat, waarna hij me
met een flauw lachje onderzoekend aan-keek en weer vroeg: 'Is het écht niet
zondig?', en ik hem weer geruststelde en zei dat een kind alles mag spelen
waar hij zin in heeft dat hij helemaal de baas is over zijn eigen
spelletjes. Verder, dat hij in mijn speelkamer ook vrijwel alles mocht
spelen wat hij wilde.
Toen pakte hij ons allerliefste rubber babypopje en begon het in de
bankschroef van de werkbank te klemmen. Toen ik me realiseerde wat hij van
plan was, reageerde ik niet erg consequent. Ik vroeg hem alsjeblieft niet
juist dit popje te nemen, omdat dat echt nooit geplaagd had en meestal erg
lief geweest was en of hij trouwens niet veel liever pop Lijs had, want daar
kwam 'echt iets uit' als die kapot gedraaid werd. Edel-moedig spaarde hij de
dierbare babypop en begon pop Lijs dansend van plezier steeds vaster in de
klem te draaien, tot het vulsel er met een straal uit begon te lo-pen. 'Hij
is bijna dood, hij bloedt helemaal leeg!' juichte hij verrukt.
Terwijl hij daarmee bezig was legde ik hem uit, dat hij zijn lastige kleine
broertje zo nu en dan vast ook wel eens weg zou willen werken op een of
andere manier, die in het écht niet gedaan kan worden. Dat dit niet zondig
is, dat we zulke dingen allemaal wel eens denken als we boos zijn; dat hij
thuis als hij weer eens boos zou worden en broertje weg wenste best ook een
pop mocht slaan of een kussen mocht wegschop-pen. Dat ik aan moeder had
uitgelegd, dat ze dat goed moest vinden. Waarop hij heel consequent, maar
wat verlegen zei: 'Als moeder boos is slaat ze me soms zelf ook heel erg en
dan zegt ze ook: pas op of ik sla je dood. Maar dat doet ze óók niet echt!'
Intussen was de zaagselpop leeggelopen. 'Net bloed,' zei Jack griezelend en
hij stap-te een eindje achteruit, vanuit een sterke weerstand tegen de te
hevige agressies die in hem opkwamen. 'Ik hou niet van bloed,' verklaarde
hij huiverend en hij ging weer terug naar zijn trein.
'Heb je soms wel eens een ongeluk gezien of iets anders dat met bloed te
maken had?' Ja, toen de kippetjes dood gemaakt werden ... Het bloed stróómde
uit hun lijf-jes en we hebben ze opgegeten toen ze schoongemaakt waren.' Ik
zei: 'Misschien ben je nu bang voor bloed, omdat je er misschien wel eens
aan gedacht hebt, dat je broertje zó ook maar es moest verdwijnen. Daar hoef
jij je niet over te schamen, zo-iets denken we allemaal wel eens.' Jackie:
‘Ja maar, dat is toch zondig? En moeder zegt, dat als ik zondige dingen
doe, dat ik dan maak dat de Here Jezus gekruisigd wordt; dat is dan óók nog
mijn schuld!'
Ik verzekerde hem dat moeder zich vergist had, dat ik daar net met haar over
gepraat had. Dat zij het er ook nog wel met hem over hebben zou. Dat ik
zeker wist, dat de Here Jezus al bijna twee keer duizend jaar geleden lang
voor de grootvader van grootvader geleefd had en nog veel langer geleden
aan het kruis gestorven was; dat er tegenwoordig niemand meer gekruisigd
wordt en dat hij Jackie daar hele-maal niets mee te maken kon hebben gehad.
Verder: dat Jezus altijd heel veel van kinderen gehouden had en daarom ook
precies wist en begreep, hoe boos alle kin-deren soms thuis gemaakt worden;
dat de Here Jezus zelf toen hij klein was ook wel eens woedend geweest was
en dat hij wist, dat kinderen stapje voor stapje moe-ten leren, dat je niet
echt andere mensen dood mag slaan of schoppen. Dat hij het niet zondig vond,
als je dat alleen maar eens denkt of speelt. Als je het maar niet écht doet
...
'Nee, natuurlijk niet,' concludeerde hij heel praktisch, 'want dan kwam de
hele stad vol met bloed!!' Terwijl hij dit zei liet hij de trein weer in de
steek en ging weer naar de poppen terug. 'Ik wou eigenlijk zo graag spelen
dat een pop dood gaat met écht bloed. Kan dat?' 'Ik zou je rooie waterverf
kunnen geven,' zei ik. Ja maar, dat moet dan in de pop,' zei hij en hij
pakte weer het rubber baby plaspopje op, en bestudeer-de de mogelijkheden om
de holle buik ervan met verf te vullen. Gelukkig accepteerde hij mijn plan
om een grote holle kleipop te maken en die te vullen met bloedverf.
Mijn eigen psychoanalyse vertoont kennelijk allerlei hiaten, want het
moeten mijn ei-gen verdrongen agressies geweest zijn, die me bij de
volgende scène bijna misselijk deden worden. Dit lieve, verstandige
jongetje met zijn donkere ogen en zijn leuke krullenbol nam me namelijk mee
naar mijn keuken, vroeg er om een heel grote schaal en toen om een mes. Het
stompe botermesje dat ik hem toen gaf, weigerde hij pertinent. 'Ik wil dat
hele grote mes,' zei hij en pakte het grote vleesmes uit de la. 'Ik móet dit
hebben,' zei hij ernstig 'en je hoeft niet bang te zijn, ik zal héél
voorzichtig zijn en me niet snijden; en ik moet ook nog een groot schort
hebben anders krijg ik thuis op mijn kop.' In dit geval heiligde naar mijn
mening het doel de middelen. En zo stond er dan een kleine, in het wit
gehulde slager voor me, met een mes, bijna zo-lang als zijn eigen armpje! En
vóór hem op de tafel stond de grote vleesschaal met het kleikind vol bloed.
Vol overleg, zoals hij mogelijk zijn vader kip had zien ontleden, begon hij
de ledematen weg te snijden, waarbij er al een beetje bloed uit begon te
komen. Toen hij het lijfje open begon te snijden, stroomde het 'bloed' over
zijn, han-den en zijn armen, over de tafel op de grond. Ook zijn voorschoot
was natuurlijk vol bloedvlekken. En zo stond hij daar ernstig en ijverig,
als een handige kleine slager, heel voldaan te slachten.
Toen hij naar huis ging zei hij, rustig en tevreden: 'Het was fijn om zo te
spelen. Ik kom elke dag terug, mag dat?'
Die week kwam hij nog vier keer terug. Elke keer herhaalde hij ditzelfde
slachtspel, totdat zijn weerstanden ertegen die aanvankelijk tijdens het
verwerken van zijn pro-blemen rondom moeder, broertje en Onze Lieve Heer,
door zijn Opper Ik in stand gehouden werden hun macht begonnen te
verliezen. Toen pas begon hij meer en meer belangstelling voor ander spel
te krijgen.
Sinds dat eerste, dramatische speeluur heeft hij nooit meer een toeval
gehad, het-geen regelmatig tot bijna tien jaar later gecontroleerd werd.
Direct na thuiskomst van dit eerste uur verbaasde hij de hele familie door
weer met graagte bloederige en weinig doorbakken biefstuk te willen eten en
dat, terwijl hij al ruim een jaar helemaal geen vlees meer had willen eten.
Ook toen hij enige maanden later getuige was van een ernstig 'bloederig'
auto-ongeluk, was hij niet meer flauwgevallen.
Ook verder was het kind al gauw opvallend veranderd. Hij was minder poeslief
tegen zijn broertje geworden, hoewel hij meer met hem speelde. Hij kwam meer
voor zijn rechten op bij moeder en de verdere familie. Zijn treiterige
agressiviteit buitenshuis en zijn stiekeme agressies binnenshuis die van het
oorspronkelijk aardige jongetje in de laatste maanden voor de behandeling
een storend en vechterig, stiekem jonge-tje hadden gemaakt waren ook
verdwenen. Hij was weer vrolijk en nogal goedmoe-dig brutaal geworden, ook
tegen zijn moeder, die hij iets minder au serieux leek te nemen. Het was dus
zeker niet alleen een symptomatische genezing, hetgeen, ge-zien de ernstige
bemoeienissen van de moeder om de streng oudtestamentische God te vervangen
door de begrijpende, vergevensgezinde kindervriend, verklaarbaar was.
Duidelijk komt bij dit geval - tot uiting hoezeer de psychische gezondheid
van een gezin staat of valt met de gewetensvorming door de ouders en
waarschijnlijk speciaal door de moeder omdat zij zich als regel het meest
met de kinderen bezighoudt. Ge-wetensvorming door andere opvoeders, vooral
wanneer het kind erg van hen afhan-kelijk is, kan ernstige psychische
stoornissen bij de kleuter tot gevolg hebben, zoals ik herhaaldelijk heb
kunnen vaststellen. Door goedbedoelde kleuter en zondags-schoolleerkrachten,
die niet op de hoogte zijn van de nog magische denkwijze van 4 6 jarige
kinderen, wordt dit soort positief bedoelde, maar negatief uitwerkende
beïn-vloeding vaak bedreven.
Zowel Benno als Jackie hadden aanvankelijk de te zware morele eisen en
dreige-menten van hun omgeving speciaal van hun moeder geheel ernstig
genomen, on-danks het feit dat hun moeders zelf erger 'zondigden' dan hun
kinderen, gezien hun agressieve optreden tegen hun zoontjes. Na de
behandeling namen beide kinderen de uitspraken van hun ouders echter met
een korreltje zout. ('Dan hebben Jaap en Annie gejokt,' zei Benno immers en
noemde zijn ouders sindsdien onverstoord bij hun voornaam. Hij was op gelijk
niveau met hen gekomen!)
Het compleet au serieux nemen van de opvoeder is geloof ik een absolute
voor-waarde om tot neurosevorming te kunnen komen. Bij een soepel,
relatiefdenkend geweten met humor lijkt symptoomvorming overbodig. Bij een
soepele, milde gewe-tensvorming, waarbij aan de kinderen de
betrekkelijkheid van morele eisen wordt duidelijk gemaakt (aan vriendje Piet
worden andere dingen verboden dan aan Jan-tje), is symptoomvorming niet
nodig. Alleen indien het kind zichzelf slecht vindt, niet vanwege de
praktische gevolgen (verstoting), maar vanwege zijn tijdens woede
op-duikende moordlustige wensen vooral tegen familieleden, kan het tot
symptoomvor-ming komen. Zodra aan zo'n kind wordt duidelijk gemaakt dat
iedereen bij tijd en wijle doodswensen tegen lastige familieleden kan
koesteren worden de symptomen over-bodig. Je moet alleen maar weten dat dit
best mag, zolang je maar niet tot agressief handelen overgaat.
Jammer genoeg informeerde ik destijds bij Benno's moeder nog niet voldoende
naar de gewetensvorming in en om haar gezin. We weten slechts dat Benno's
r.k. kleuterschool absurd strenge eisen ten aanzien van ‘bloot' stelde en
dat de ou-ders zeer affectief geladen, agressief en geschokt op de
masturbatie van Benno ge-reageerd hadden. Hopelijk is bij de geplande
follow up gesteld dat de ouders nog leven hierover achteraf nog iets te
vernemen. Maar men mag wel als zeer waar-schijnlijk veronderstellen dat de
morele eisen ten aanzien van agressies tegen fami-lieleden in dit streng
katholieke gezin verre van soepel waren.
Beide jongens waren als enige, respectievelijk jongste zoon zeer gehecht aan
hun moeder. Beide moeders hadden bun zoon teleurgesteld door 'het nemen' van
een nieuwe baby, doordat zij hen daarna voor het gevoel van het kind in de
steek gelaten hadden. Bovendien waren de jongetjes nog geslagen of
omgeduwd, hetgeen vooral Benno extra aangegrepen had, omdat hij zich toen
hij door ziekte buitenshuis op-genomen was ook al volkomen verlaten had
gevoeld en daardoor toch al onzeker was over moeders gevoelens ten opzichte
van hem. In ongenade vallen bij moeder was voor deze beide jongens het
grootste probleem, zodat zij van zichzelf woede en agressie ten koste van
alles moesten onderdrukken. Jackie wist zich na de be-handeling weer geheel,
zelfs meer dan ooit, door zijn moeder geaccepteerd. Hoewel Benno pas
wegbleef nadat hij al veel onkwetsbaarder geworden was voor zijn moe-ders
onberekenbaarheid, lagen zijn kansen voor de toekomst toch waarschijnlijk
minder positief, omdat zijn relatie met zijn moeder niet zo bewust positief
herzien kon worden als bij Jack. Misschien kan de follow up hierover nog
leerzame gegevens verschaffen.
*
Follow up jack (na 25 jaar)
Over Jack waren gegevens beschikbaar tot tien jaar na de
behandelingsperiode. Hij had geen enkele toeval meer gehad en had zich goed
ontwikkeld. Toen ik dezer da-gen het eindelijk bemachtigde nieuwe adres
opbelde, kreeg ik hem zelf aan de lijn. Hij herinnerde zich alleen nog heel
vagelijk iets over de speeluren, was erg verbaasd dat ik mij zoveel over hem
kon herinneren en vertelde daarna rustig en vriendelijk over zijn opleiding,
over zijn baan in het bedrijfsleven en over zijn trouwplannen. Hij was bijna
30 jaar. Van toevallen of andere 'nevenklachten' had hij geen last meer
gehad.
Nettie
Nettie kwam vanwege de grote afstand van haar woonplaats naar de
polikliniek en vanwege het onvermogen der ouders de reiskosten te dragen,
slechts twee maal in behandeling. De ouders verkeerden in zorgelijke
financiële omstandigheden. De va-der was al langdurig werkloos en sinds
kort bij de werkverschaffing ingedeeld. Er zal daarom niet diep op dit
geval worden ingegaan en slechts melding worden gemaakt van haar spel en de
daarop gebaseerde duiding, die in sommige opzichten tot een vrij belangrijke
verbetering heeft geleid.
Nettie, toen 4 jaar en 7 maanden, Leed aan enuresis nocturna. Na de
geboorte van haar zusje, 1½ jaar geleden, was zij volkomen onhandelbaar
geworden. Ze had sindsdien geregeld heftige driftbuien, gilde, treiterde,
schopte en sloeg, niet alleen haar moeder, maar ook het kleine zusje van wie
zij, indien mogelijk, elk stukje speel-goed afpakte. Zij vloekte en schold,
was brutaal, ongehoorzaam, prikkelbaar, druk en onrustig en wilde altijd
haar zin hebben.
'Ze is een kleine heks,' zei haar moeder. Waarschijnlijk leed ook Nettie aan
effectepi-leptische aanvallen waarvoor ze ter observatie op
kindergeneeskunde opgenomen was. Omdat vermoed werd dat de insulten van
conversie hysterische aard waren, werd zij doorgestuurd naar de
Psychiatrische Kinderpolikliniek te Oegstgeest. 'Om straf geeft ze niets, of
liever ze doet of ze er niets om geeft. Maar ik kan met zacht-heid evenmin
iets van haar gedaan krijgen. Alleen als ik eens tijd heb me even
uit-sluitend met haar te bemoeien is ze allerliefst, heeft alles voor me
over en helpt me in het huishouden, wat ze heerlijk vindt. Ze is dol op haar
vader, daar doet ze altijd alles voor. Ze is altijd erg lief van aard
geweest, maar sinds kleine zusje er is, is het ver-schrikkelijk. Met haar
zus van zeven en haar broertje van tien kan ze vrij goed op-schieten. Ze
slaapt erg onrustig, woelt veel, maar wordt niet wakker; ze droomt vaak
hardop. Dan trapt en gilt ze in haar slaap, roept soms dat zij een man ziet
of wilde dieren, om even later weer rustig verder te slapen. De kinderen
slapen met z'n allen op de ene zolderkamer, de ouders op de andere. Ze eet
over het algemeen slecht.' Haar eerste ontwikkeling was vlot verlopen. Zij
liep en praatte op tijd, met twee jaar was ze geheel zindelijk overdag, maar
's nachts leed ze aan enuresis nocturna. Van achterlijkheid was geen sprake.
Getest met de Kleinkindertest van Bühler Hetzer, bleek zij een
ontwikkelingsquotiënt te hebben van ruim 1. Ze sprak vlot en wist zich goed
uit te drukken.
Wij raadden al dadelijk aan Nettie 's morgens naar een kleuterschooltje te
sturen, haar thuis niet te negeren, zoals van andere zijde aangeraden was,
maar juist veel notitie van haar te nemen, evenwel zonder haar te
verwennen.
Men moest haar met steeds haar zin geven, maar veel belangstelling tonen
voor haar spel en haar veel aantrekkelijke huishoudwerkjes laten doen. Men
moest haar zo min mogelijk straffen en niet slaan, maar haar getreiter en
driftbuien zo veel mo-gelijk negeren.
Eerste behandelingsuur:
Verloop: Ze was intussen sedert enige weken op een kleuterschooltje
geplaatst en vond het daar heerlijk. Maar ondanks dat de moeder
bovenvermelde raadgevingen trouw had opgevolgd, was Nettie lastiger geweest
dan ooit. Ze was aldoor ontzettend agressief en brutaal. Omdat zij gezien
haar intelligentie allerlei situaties dadelijk begreep, maakte ze bovendien
telkens scherpe, hatelijke, min of meer verbitterde opmerkingen, zodat de
moeder, die toch een flinke, begrijpende indruk maakte, wan-hopig was. In
het bedwateren was geen verandering gekomen.
Spel: Ze pakt meteen het poppenhuis, zet de stal ernaast en begint geboeid
te spe-len. Ze haalt de moederpop van de poppenfamilie uit haar huis, sluit
haar op in de stal en zegt zachtjes: '. . . want ze heeft in d'r broek
geplast . . .' Ze stopt de beide wilde beesten erbij en voegt er aan toe:
'Zo, die kunnen moeder opeten.' Opeens dringt het tot haar door dat er
misschien op haar gelet wordt. Ze schrikt hevig, haalt blozend, met vlugge,
zenuwachtige bewegingen, de moeder gauw weer te voorschijn en kijkt me
schuldbewust aan. Na mijn geruststelling, dat kinderen alles mogen spe-len
wat ze willen en dat ik nergens boos om zal worden, herstelt ze eerst
aarzelend, dan met steeds toenemende zekerheid, de vorige situatie. Ze
speelt ten slotte onge-remd verder. Terwijl de moederpop aldus verbannen is
om opgegeten te worden door de wilde dieren, geeft zij aan een kleiner popje
haar eigen naam. Deze Nettie-pop, die nu thuis de rol van huismoeder op zich
neemt, stopt ze dadelijk met twee vaderpoppen in bed, zeggend: 'Dat is een
vader. En die ook; 't is donker,' waarna ze de luiken dichtdoet. Terwijl
alles slaapt, zegt ze, op twee in de aangrenzende pop-penkamer slapende
popjes wijzend: 'Gerrit en Mientje (haar oudere broer en zusje) slapen ook.
Die dromen van lelijke beesten en die huilen. Moéder moet in de stal
blij-ven met de deuren op slot!' Hierop is ineens een van de twee naast de
Nettiepop liggende vaders stout. 'Die moet bij moeder in de stal,' zegt
ze, 'maar déze blijft bij Nettie.' Zwijgend beschouwt ze deze situatie heel
lang en intensief, stilletjes op de grond bij het poppenhuis geknield, de
handjes ontspannen rustend op haar knieën.
Daarna verkondigt zij met een zucht: 'Nou is het weer licht, nou moeten ze
op-staan.' De Nettiepop staat op en zet de ramen open. Een heel klein popje
dat ze naar haar zusje van 1½ jaar Alie noemt is nat en wordt gewassen en
verschoond. De kippen worden ook gewassen. Mien, Gerrit en Nettie zèlf gaan
naar de pop-pen wc, bestaande uit een lucifersdoosje met een gaatje erin en
gevuld met stukjes klei.
Dan gaat de Nettiepop naar de vaderpop toe, schudt hem wakker en zegt: 'je
moet opstaan.' De vaderpop antwoordt met een basstem: 'Ik heb nog zo'n
slaap!' Niks hoor,' zegt met een hoge stem moeder~Nettie, je moet opstaan,
je ankleje en je jas andoen.' Intussen stoft moeder Nettie de meubels af,
maakt de bedden op en gaat daarna boodschappen doen. Bij haar thuiskomst
vertroetelt en zoent ze de in weerwil van haar bevelen toch nog in bed
liggende vaderpop en zegt daarbij goe-dig: 'Nou, je mag dan nog wel wat
blijven liggen, hoor!' Daarna haalt moeder Nettie de verbannen moederpop en
de 'stoute' vader uit de stal, zet die twee echter samen niet in, maar naast
de poppenwoning neer en gaat zelf binnen dóór met het huishou-den. Aangezien
het uur bijna om was, hebben wij haar gezegd, dat ze eigenlijk haar eigen
moeder net zo weg wilde sturen, om vader voor zich alleen te kunnen hebben
en voor hem het huishouden te kunnen doen en ook voor Mien en Gerrit en Alie
te zorgen. Eigenlijk werd de inhoud van haar spel slechts verbaal herhaald
en aldus bewuster gemaakt. Ze antwoordde hierop niets, bleef stil naar de
poppenfamilie zit-ten kijken, trok een kleedje recht, verzette een
poppenstoeltje en stond toen op om met haar moeder naar huis te gaan.
Tweede behandelingsuur: (zes weken later)
Verloop: Haar vader vertelde dat ze sinds het vorige uur totaal veranderd
was. Ze was allerliefst geweest, ook tegen moeder en het kleine zusje,
vriendelijk en opge-wekt, afgezien van een enkele kibbelpartij met haar
oudere zusje of broertje. Ze at beter en sliep rustig. Wel had ze hoewel
minder dan vroeger nog in bed geplast. Toen aangeraden werd haar hierom nog
een paar maal terug te laten komen, maak-te de vader vanwege de grote
afstand bezwaren. Zodra er echter weer klachten mochten komen zou hij met
Nettie terugkomen. Sindsdien zijn zes maanden verstre-ken waarin wij niets
meer over Nettie gehoord hebben.
In dit tweede uur heeft zij niet meer kunnen spelen, aangezien haar vader te
laat met haar gekomen was. Wel vertelde Nettie nog, dat ze moeder nu altijd
zo fijn mocht helpen en dat het op het kleine schooltje zo prettig was. Het
was de vader opgeval-len, dat Nettie sinds het vorige speekuur thuis telkens
vadertje en moedertje ge-speeld had met haar beren en daarbij steeds één
beer in het speelgoedkastje op-sloot. Dit was dus een herhaling van het bij
ons gespeelde spel. Door haar agressies tegen moeder in haar spel te
doorleven, kon ze in de realiteit ineens gezellig en lief zijn. De vader die
als werkloze overdag veel thuis geweest was verzekerde, dat zij dit spel
voor het eerste behandelingsuur nog nooit gespeeld had.
Het resultaat van dit ene uur spelanalyse was dus, dank zij Nettie’s
doorzichtige, vrijwel onverhulde spel, een verdwijnen van de
opvoedingsmoeilijkheden, de slaap-stoornissen en de angsten, en een
verbeterde aanpassing aan de eisen der realiteit, althans in deze eerste zes
weken erna. Van genezing was natuurlijk ook hier geen sprake, aangezien de
enuresis vrijwel geheel was blijven bestaan. De eerder ge-noemde
opvoedkundige maatregelen en het verblijf op de kleuterschool hadden in de
toestand geen enkele verbetering gebracht. Dit resultaat moest vrijwel
onverminderd toegeschreven worden aan de mogelijkheid geheel vrijuit haar
agressies tegen haar moeder te spelen evenals haar liefste wensen t.o.v.
haar vader en tenslotte aan het wensvervullende spel als vaders huisvrouw.
Daarnaast vooral aan het geaccepteerd blijven, ondanks deze 'lelijke
gedachten', ook na het doorpraten daarvan.
Haar gehele onopvoedbaarheid en agressiviteit tegen haar moeder hingen zeer
waarschijnlijk samen met haar oedipus wens de plaats van moeder in te nemen
bij vader, die ze wilde vertroetelen en bedillen. Deze wens kwam duidelijk
in haar spel tot uiting. Ook het hebben van een klein kindje beschouwde ze
kennelijk als een be-nijdenswaardig voorrecht van de moeder; want zo
onuitstaanbaar en ruw de echte Nettie door haar jaloezie voor haar kleine
zusje Alie was, zo teder verzorgde moe-der Nettie de Aliepop.
De inhoud van haar spel was slechts weinig verhuld. Zonder moeite kon men er
de wens moeders plaats in te nemen, uit aflezen. Om de vervulling ervan
mogelijk te maken moest de moeder zo afdoend mogelijk uit de weg geruimd
worden, waartoe zij niet alleen opgesloten werd, maar bovendien verslonden
moest worden. Zij durfde dit laatste echter niet goed aan, niet alleen uit
angst voor de woede en de wraak van vader en moeder, maar ook uit
schuldgevoel. Dit bleek ook uit de droom die zij de Mientje en de Gerritpop
toedichtte; een soort droom die zij zelf ook telkens had: 'Gerrit en
Mientje slapen ook, die dromen van lelijke beesten en huilen.' De lelijke
beesten zijn zowel symbolen voor haar eigen agressies, als voor de woedende,
op haar wraaknemende ouders, die haar willen aandoen wat zij haar familie
had toebedacht. Zij had haar woest agressieve wensen ten opzichte van
moeder naar het onbewuste verdrongen, vandaar in de plaats ervan de
symptoomvorming in de vorm van nachtelijke angstaanvallen en evenals Benno
blijkbaar soms affectepi-leptische aanvallen overdag, waarbij zij flauwviel
op momenten waarop zij de uitvoe-ring van te hevige agressieve wensen haast
niet meer beheersen kon. Zij motiveerde die droom dan ook door er meteen op
te laten volgen: 'Moeder moet in de stal blijven met de deur op slot,'
(terwijl ik in de gedaante van de Nettiepop fijn met vader in bed lig).
Direct hierna zei ze van één van de twee vaders, dat hij stout was en naar
moe-der in de stal moest. Ten eerste troostte ze de moeder hierdoor min of
meer, door haar althans het gezelschap van haar man terug te geven; ten
tweede ontdeed ze zich zo van de boze, woedende vaderfiguur, die het voor
moeder opnam, om zo-doende veilig en ongestoord bij de lieve vader in bed te
kunnen blijven. Door twee vaderpopjes te gebruiken, beeldde zij in haar
spel ook de hevigheid van haar tegen-strijdige emoties rondom de vaderfiguur
uit. Zolang de boze vader nog aanwezig was dreigden er 'wilde beesten'; na
zijn verbanning kon zij van een ongestoord samenzijn met de vriendelijk
gezinde vader genieten. Alle facetten van haar probleem beeldde zij aldus
uit, mét de eventuele oplossingen ervoor.
Van verschillende verhullingmechanismen werd gebruik gemaakt, o.a. van
verschui-ving in de vorm van verlegging van het accent van iets belangrijks
naar iets onbe-langrijks. Bij de verbanning van de moederpop wordt niet als
motief opgegeven: 'Ik wil in haar plaats komen en daarom moet ze weg' maar:
'Ze heeft in haar broek ge-plast', hetgeen toch echt geen reden tot
doodstraf is. Verder gebruikte zij identificatie: Nettie vervulde gedurende
haar spel de rol van haar moeder. Dit was ook als wraak bedoeld voor de vele
vernederende opmerkingen en straffen die moeder haar voor haar bedplassen
gegeven had. Ten derde gebruikte zij projectie: haar eigen agres-sies en
daarmee samenhangende angstdromen dichtte ze aan de Gerrit en de
Mientjepop toe. Ten vierde de symboliek: lelijke beesten symboliseerden haar
eigen woede en de daarover woedende ouders: Zij moesten moeder opeten en zij
kwamen haar zelf 's nachts bedreigen. Ten vijfde werden met de verbanning
van het stoute vadertje twee doeleinden bereikt, namelijk enerzijds
vermindering van haar schuld-gevoel, doordat de verbannen moederpop haar
man voor een deel terugkreeg, an-derzijds werd de vermanende, dreigende
lastpost er ook door geëlimineerd, waar-door zij ongestoord met de lieve
vader alleen kon. blijven. Men zou dus van verdich-ting kunnen spreken en
misschien ook van 'verdunning' of splitsing.
In het derde hoofdstuk hebben we aan de hand van dit spel van Nettie erop
gewe-zen, hoe een kind in zijn spel bewust geremd kan worden door een al of
niet terecht aan de toeziende volwassene toegedichte, kritiserende houding.
Nettie had haar woest agressieve wensen ten opzichte van haar moeder naar
het onbewuste verdrongen, vandaar dat in de plaats daarvan symptoomvorming
optrad, in de vorm van de nachtelijke angstaanvallen en evenals bij Benno
soms affectepi-leptische aanvallen overdag, waarbij zij bewusteloos neerviel
op momenten, waarop zij het uitvoeren van haar te hevige agressieve wensen
in de realiteit haast niet meer beheersen kon. Op deze aanvallen is door
tijdgebrek in het geheel niet ingegaan. (Zie follow up.)
*
Follow up Nettie:
Gezien het ene speluurtje dat in 1935 aan Nettie besteed werd, verwachtte ik
dat de follow-upgegevens niet meer dan een paar regels zouden beslaan. Het
dreigt echter uit te groeien tot een soort familieroman.
Op zoek naar Nettie leidt de weg via 'Bevolking' naar een zuster en zwager
van Net-tie, waar toevallig de bejaarde, zwaarlijvige, maar nog zeer vitale
moeder op bezoek zit, een duimzuigend kleinkindje tegen zich aangeleund.
Zij herinnert zich. dat ene bezoek met Nettie aan de speelkamer slechts
vagelijk, weet nog, dat het toen aangeraden kleuterschoolbezoek een succes
was geweest, hoewel Nettie thuis – althans voor haar erg moeilijk gebleven
was.
Zij herinnert zich van Nettie's spelen met de berenfamille zelfs nog, dat de
moeder-beer altijd naar de donkere kast verbannen werd, terwijl moeder
Nettie haar beren-huishouden verzorgde. 'Dat is in het echt ook altijd zo
geweest,' zegt zij, 'tegen mij was ze altijd opstandig; ze wilde altijd
alles beter doen dan ik in huls. Het leek haast of ze mijn plaats wel had
willen innemen. Zij is voor haar eigen gezin een zorgzame moeder. Maar ze is
ook wel eens moeilijk en opvliegend. Haar man gaat bij haar voor alles en
iederen (net als indertijd de poppenhuis vader) ! Ze kan hem nooit genoeg
verwennen.'
Als puber van ongeveer zestien jaar was Nettie zelfs een poosje op kamers
gaan wonen, als protest tegen moeder. Maar na een paar maanden was ze al
weer terug gekomen thuis. 'lk doe soms wel lelijk tegen je, maar ik kan toch
met buiten je,' zou ze toen gezegd hebben.
Na deze gegevens over haar rivaliteit en haar ambivalentie ten opzichte van
haar moeder, naast haar grote gehechtheid aan de vaderfiguur in huis, wordt
het steeds waarschijnlijker, dat de toevalletjes die zij na de geboorte van
het zusje kreeg en die zelfs nu nog wel eens voorkomen, van
affectepileptische aard zijn, zodat men haar destijds terecht na een
observatieperiode van drie maanden op Kindergeneeskun-de, toen zij 4½ jaar
was had doorverwezen naar de Psychiatrische Kinderpolikliniek. Omdat dit
symptoom in dat éne behandelingsuurtje uiteraard niet aan de orde geko-men
was, werd het in 'Spelanalyse' met eens vermeld.
Aanvulling van de anamnese:
Nu werd het echter onverwacht mogelijk om alsnog na 36 jaar! meer over de
ach-tergronden van dit patiëntje te weten te komen. Vanwaar die hevige,
ambivalente gebondenheid naast die hevige agressies tegen deze toch
werkelijk niet zo onvrien-delijke moeder. De moeder maakte, terwijl zij over
haar dochter sprak eigenlijk een wat teleurgestelde, zelfs ietwat
verbitterde indruk, alsof ook zij een hartelijke verhou-ding met haar
dochter graag zou willen, maar gelaten geaccepteerd, had, dat zij el-kaar nu
eenmaal niet lagen, steeds bij elkaar 'op de verkeerde knop drukten'.
Toch ook een verstoorde symbiose!
Bij verder navragen over de allereerste levensperiode van Nettie komt nu tot
mijn verheugde verbazing aan het licht, dat er toch ook bij Nettie evenals
bij de vier ove-rige jongste, neurotische patiëntjes uit Spelanalyse' wel
degelijk eveneens sprake is geweest van zelfs twee zéér vroege verstoringen
van de symbiose met haar moe-der!
Twee opnamen als baby wegens voedingsstoornissen:
Nettie werd namelijk als baby nog onder het jaar, met ongeveer drie maanden
en met acht maanden, tot twee maal toe dus opgenomen vanwege ernstige
voedings-stoornissen. Vandaar ook bij haar het hevig agressieve gedrag,
naast grote aanhan-kelijkheid, dat kleine kinderen met een verstoorde
symbiose vertonen.
Naar de beschrijving die de moeder nu geeft vertoonden deze
voedingsstoornissen veel overeenkomst met de door Spitz (1966) beschreven
'Drei Monatskolik' waarop Spock hem mondeling geattendeerd had. Daarbij
gaat een baby elke middag vaak urenlang erbarmelijk huilen vanwege hevige
buikpijn. In de oude anamnese staat zowaar: Partus vlot; zes pond; met drie
maanden(!) terugspugen; buikpijn; urenlang hevig huilen! De beide opnamen
werden volkomen toevallig destijds niet vermeld.
Bij een onderzoek van M. Levine en Anita Bell (1950) bleken zulke baby's
meestal angstig overbezorgde moeders te hebben, met voor hun daarvoor nog te
jonge baby te snel en te overvloedig toeschietende melk. Dit waren moeders,
die hun kind niet volgens een bepaald schema voedden, maar op elk huilen van
de baby. Daardoor raken deze baby's steeds erger overvoed, want ze huilen
niet om meer melk, maar om meer te mogen zuigen. En aan deze zuigbehoefte
wordt niet voldaan ... Vandaar dat deze kwaal nooit schijnt op te treden bij
inrichtingsbaby's: want die worden nooit tussentijds gevoed! Spitz
beschrijft, hoe Levine en Anita Bell een doodsimpele, meesterlijke oplossing
bedachten, namelijk het geven van een fopspeen! Daaraan kun je immers
onbeperkt zuigen zonder ooit overvoed te raken! Het huilen en de buikpijn
verdwijnen daarmee blijkbaar altijd prompt.
Huilen om meer te mogen zuigen:
Maar Nettie kreeg omstreeks 1930 geen fopspeen, want de fopspeen werd in de
dertiger jaren namelijk bij de wet verboden! De vicieuze cirkel bleef aldus
gesloten: huilen om te mogen zuigen, opgenomen worden en weer de borst
krijgen, steeds meer overvoeding, buikpijn en weer huilen, enz. Vandaar dat
indertijd de huisdokter zoals de moeder nu vertelt haar tenslotte had
geboden de baby ergens apart te zet-ten en desnoods de hele middag te laten
huilen! 'Ik moest haar làten krijsen, je kon het een paar huizen ver horen!
Vréselijk.' Toen het kort daarna toch tot een opname gekomen was, had de
moeder kans gezien haar kindje tijdens de beide ziekenhuis-perioden toch te
blijven voeden, waardoor haar melkproductie niet teruggelopen was. Daardoor
kon ze na thuiskomst van de baby telkens met voeden doorgaan hetgeen zij
voortzette totdat Nettie anderhalf jaar oud was, dus nog zeven maanden nadat
de baby na de tweede opname uit het ziekenhuls thuisgekomen was!
Grotendeels herstelde symbiose:
Zonder het zelf te beseffen heeft,zij haar kind hiermee een grote dienst
bewezen. Want de symbiose, die, gezien de tweede opname op de leeftijd van
8 maanden (net op de kritieke, éénkennige leeftijd), ernstig verstoord moet
zijn geweest, werd na thuiskomst door die overvloedige koestering nog
helemaal op babyniveau op de brede schoot van deze instinctmatig
moederende, bezorgde vrouw met haar weelde-rige boezem, veel verder
hersteld, dan op enig andere wijze ooit mogelijk zou zijn geweest. Nettie
was dan ook na enige tijd weer een lief, alhoewel wat veeleisend kindje
geworden, ze was immers ook, meer dan anders ooit het geval zou zijn
ge-weest, aan haar moeder gebonden geraakt, geestelijk en vooral ook
lichamelijk.
Hernieuwde verstoring:
Dit herkregen evenwicht werd helaas opnieuw verstoord toen 1½ jaar nadat
zij zelf gespeend was en zij dus drie jaar was haar zusje geboren werd, die
onder haar jaloerse oogjes nu in haar plaats aan de van melk overvloeiende
borsten van moeder gezoogd en gekoesterd werd en nu die intense
instinctmatige aandacht kreeg waar-aan Nettie haar herstel te danken had
gehad. Nettie kon dit niet verwerken. Zij be-leefde het als een verraad en
als een afgedankt en ter zijde geschoven worden. Elke dag opnieuw, enige
malen, wekte dit zoals wij ook uit haar spel konden meebeleven hevige
agressies tegen moeder in haar. Een groot wantrouwen in moeders goede
bedoelingen groeide in het kleine meisje. Het trieste is, dat zij zelf nooit
iets over moeders uitzonderlijke toewijding drie jaar lang, tot de nieuwe
baby kwam gehoord heeft en er zo de draagwijdte nooit van heeft leren
kennen. Er werd nooit over ge-sproken. Moeder vond het vanzelfsprekend om
zeker in zo'n. geval anderhalf jaar lang borstvoeding te verstrekken. 'Ach,
dat deed je vroeger. Dat was heel gewoon. .
Op basis van de oude verstoring der symbiose kwam het bij Nettie na de
geboorte van het zusje tot een zeer chaotisch agressief gedrag en ten slotte
zelfs tot escalatie nadat moeder echt boos op Nettie geworden was. Niet
alleen treiterde, schopte en sloeg zij moeder toen en was zij erg brutaal en
ongehoorzaam, maar ze maakte ook zo klein als, ze was bittere en
onaangename verwijten, die moeder kennelijk zeer gekwetst hadden, juist
omdat ze zolang Nettie nog de jongste was altijd haar ui-terste best voor
het kindje gedaan had. Terwijl Nettie vroeger altijd 'zo lief van aard' was
geweest, kreeg ze nu hevige driftbuien, gaf niet meer om straf en reageerde
ook niet meer op zachtheid tenzij moeder haar eens helemaal alleen had. Dan
was ze weer allerliefst en hielp spontaan met van alles mee. Uit deze
periode dateerden de eerste affect epileptische toevallen. Zo was er sinds
de geboorte van het zusje boos-heid en verdriet bij beiden, moeder en
dochtertje. Dit is een klassiek voorbeeld van de contactstoornissen, die op
basis van een verstoorde symbiose decennia lang - de familie relaties
kunnen blijven beïnvloeden en bederven, ten koste van een hele-boel
spanningen en verdriet.
Nog andere verstorende factoren:
Ten tijde van de komst van deze laatste baby waren er ook nog enkele
aanvullende bezwarende factoren van ontwikkelingspsychologische, sociale en
economische aard, die we niet over het hoofd moeten zien. Allereerst was
Nettie toen nog maar nauwelijks aan de normale protestfase ontgroeid.
Bovendien was zij nog midden in het verwerken van haar oedipale problemen.
Als klap op de vuurpijl, om het verwer-ken hiervan nog moeilijker te maken,
zelfs haast onmogelijk: vader was werkloos! De consequentie daarvan was, dat
moeder zo gauw mogelijk weer uit werken moest, zodat Nettie, die in fantasie
en spel al heel jaloers de rol van vrouw en moeder speelde, dit ineens in de
realiteit écht kon gaan doen, n.b. op verzoek van haar va-der! Ze was vlug
en handig, zodat vader haar graag liet afwassen, bedden rechttrek-ken, tafel
afruimen en haar zelfs de baby liet verzorgen. Ook boodschappen mocht zij
doen. Voor Nettie kwam het neer op moeder zijn overdag, maar tegen de avond,
als moeder thuis kwam, weer kind worden, de zorg voor 'haar' baby en 'haar'
man weer uit handen geven en hevig jaloers en in opstand toekijken. Dat kon
zij niet opbren-gen zonder boos, geprikkeld, in de contramine en treiterig
te worden tegen haar moeder, die, moe na al het werk overdag bij vreemden,
van haar kant zich onaardig gedwarsboomd voelde, vooral omdat ze telkens te
horen kreeg, hoe lief Nettie haar man overdag bij alles geholpen had. Dit
weten we ook van vader zelf bij het tweede en laatste bezoek van Nettie aan
de speelkamer en ook uit haar eigen poppenhuis-spel.
Is het zo verwonderlijk dat dit kind, met haar heldere koppetje,
koortsachtig zocht naar een elegante, onopvallende methode om moeder ook ‘s
nachts voor dag en nacht kwijt te raken? Het was dan ook gedurende de
poppenhuis nacht dat moeder met de wilde beesten opgesloten werd. Het was
tijdens het slapen van popje Nettie, in bed met de liefste van de twee
vaders, dat het kind een tijdlang, stil genietend op haar knieën voor het
poppenhuis toegekeken had (verzadiging langs de magische weg van het spel)
om daarna met een zucht het weer licht te laten worden en aan haar
poppenhuisdagtaak te beginnen. Ze kon niet anders dan moeder, die haar
ei-genlijk zo dierbaar was, helemaal wegwensen. Vandaar het opsluiten van
moeder met de wilde dieren èn hevig schuldgevoel hierover.
Het eerste follow up bezoek:
Hoe triest de consequenties kunnen zijn van zo'n gecompliceerde samenloop
van omstandigheden bleek al dadelijk bij mijn eerste follow up bezoek aan
Nettie zelf.
Nettie ontving mij vriendelijk, onderzoekend en geïnteresseerd. Moeder
Nettie bleek een sportieve, intelligente, zeer zelfbewuste knappe vrouw.
Haar huis was gezellig, praktisch en modern ingericht, met een grote zit eet
huiskamer, waar duidelijk vele activiteiten met haar vijf kinderen zich in
de familiekring afspelen. De sjoelbak staat er nog; er is een tekenbord
tegen de muur, er liggen kinderboeken, kortom het is een kamer, waar een
hele familie samen actief is. Nettie is kennelijk een moderne, effici-ente,
zeer goede huisvrouw, die daardoor tijd maakt om ook allerlei
sportactiviteiten van haar kinderen, zwemmen, volleybal, voetbal zoveel
mogelijk samen met haar man van dichtbij te volgen en er vaak zelf aan mee
te doen. Zij heeft een zeer goe-de verstandhouding met haar man, die haar
zoveel mogelijk werk uit handen neemt om tijd voor de kinderen vrij te
maken. Heel eerlijk en openhartig schrijft zij het aan diens grote begrip
en tact en aan de rust en veiligheid, die hij in huis geeft, toe, dat het
gezinsleven zo goed verlopen is. Want zij weet zichzelf vaak onevenwichtig,
wat op opvliegend en vaak wat depressief, bovendien vervuld van allerlei
angsten, terwijl zij ook nog steeds last van toevalletjes heeft! (Wel een
verschil met Benno en Jackie, die vanaf de spelanalyse sinds hun
kleutertijd symptoomvrij opgroeiden en zich rede-lijk onbezorgd hadden
kunnen ontplooien.)
Meteen tot de kern:
Na slechts enkele inleidende opmerkingen over en weer bracht Nettie al
dadelijk net als de kinderen bij hun spel de kern van haar problemen aan
het licht: 'Moeder heeft altijd gedacht, dat ik niet van haar houd, maar ik
houd juist erg veel van haar.'
Allebei in elkaar teleurgesteld:
Haar hele leven (voor haar eigen beleven . . ., voor zover zij zich dit kon
herinneren), had zij vergeefs op moeders liefde gehoopt! Over de
allereerste uitermate toegewijde verzorging door haar moeder tijdens haar
eigen baby en kleuterjaren herinnerde zij zich uiteraard niets meer. Toch
is haar intense verlangen naar de 'absoluut goede moeder', het wéten dat dit
bestaat en het zélf een goede moeder (kunnen?) zijn, daarop gebaseerd.
Netties eerste herinneringen reiken echter niet verder terug dan tot de
conflicten met moeder vanaf de geboorte van het zusje. Hun wederzijdse
rela-tie lijkt tragisch genoeg alleen op die vijandige escalatieperiode
gebaseerd. Zij kwam met allerlei voorbeelden, waaruit zou blijken, dat
moeder haar niet mocht. Moeder kwam bijvoorbeeld niet zo graag op bezoek bij
Nettie als bij haar andere kin-deren. Zij kwam alleen als het sociaal bezien
wel moest, zoals op verjaardagen. Maar dan vond zij het weer te druk, omdat
er dan altijd spelletjes met de kinderen gedaan werden, terwijl zij een
keurige echte verjaarsvisitekring prefereerde. Zo wa-ren er telkens
verschillen in opvatting. Toch lijkt het niet zo verwonderlijk, dat moeder
weerstanden heeft om bij deze, als kind al zo kritische dochter op bezoek te
gaan, omdat zij heel goed beseft, dat Nettie haar boven het hoofd gegroeid
is. Want niet alleen is Nettie eveneens een uitstekende huisvrouw, zij is,
dat weet deze grootmoe-der heel goed, een veel modernere moeder voor haar
kinderen, veel ontwikkelder, sportiever en beter opgeleid in vele
opzichten. En aangezien oma graag heeft dat haar kinderen wat tegen haar
opzien, haar raad vragen en naar haar luisteren, prefe-reert zij en komt zij
eerder tot het bezoeken van de minder zelfstandige andere ge-zinnen.
De druppel in de volle emmer:
De maat was vol toen haar moeder kortgeleden vlak na het vertrek van
Nettie's oudste dochter naar het buitenland geen enkele maal even bij Nettie
langs geko-men was om haar te troosten en een beetje gezelschap te houden.
De grootmoeder wist, hoe Nettie zich dat vertrek aangetrokken had (dat had
de grootmoeder trouwens zelf verteld tijdens dat gesprekje bij Nettie’s
zuster en zwager).
Nettie had er zo vast op gerekend dat haar moeder onder deze omstandigheden
ein-delijk wel eens langs komen zou, dat zij zelfs enige ochtenden met
koffie op haar moeder had zitten wachten. Haar reactie op deze duidelijk in
het oog springende on-vriendelijkheid en frustratie resulteerde in een
geschreven mededeling aan haar moeder, dat zij op verder contact met haar
geen prijs meer stelde. Zij trachtte haar nu voorgoed uit haar leven te
bannen.
Hoewel dit in de realiteit nu een feit is, is zij er in haar gevoelsleven,
althans gezien de intense gepreoccupeerdheid tijdens dit eerste follow up
gesprek doorlopend mee bezig. Het versterkte enerzijds haar verlangen naar
moeder, daarnaast leek het haar schuldgevoel te verhevigen. Zonder
uiteraard zelf het verband te kunnen door-zien, bleek zij de hierdoor
veroorzaakte spanningen te verwerken, door al hande-lend (agerend) net als
bij het spel zich te identificeren, beurtelings met 'de goede moeder' en dan
weer met haar jongste broer, die namelijk in dezelfde periode ook narigheid
te verwerken had en naar haar mening eveneens daarbij te weinig medele-ven
van moeder ondervond, zodat zijzelf nu maar telkens bij hem op bezoek ging
om hem wat te troosten. Het lijkt of ze weer speelt, in verschillende
rollen: de rol van ‘De Zorgzame Moeder’ (zorgzamer dan haar eigen moeder)
intussen meelevend met het zielige in de steek gelaten kind net zoals Benno
zijn eigen én zijn vaders rol tegelij-kertijd speelde, meevoelend tijdens
het zelfde spel (kinderen uit wraak vermoorden) met beide partijen, om
beurten. Het viel op dat Nettie over deze bezoeken vertelde met een zekere
nadruk, niet terloops, maar alsof ze sprak over een goed uit te voe-ren
taak, of opdracht, waarvan ze zou willen dat je zou begrijpen dat ze het als
een ernstige aangelegenheid zag. Haar manier van spreken hierover was heel
anders dan tijdens de rest van het contact met haar.
Claustrofobie en projectie:
In de loop van het gesprek vroeg zij mij onverwacht, of ik me soms nog kon
herinne-ren, of zij als kind vaak voor straf opgesloten was geweest, in een
kast of een hok, omdat zij al haar hele leven, tot op de huidige dag, zo
doodsbang was voor opgeslo-ten raken. Ze had er altijd zo'n panische angst
voor gehad, dat zij niet alleen het haakje niet op de deur deed, maar zelfs
de deur van wc of badkamer altijd een beetje 'aan' moest laten staan! Van
zichzelf!
Zo tijdens dat huiselijke koffiedrinken drong het toen niet eens direct tot
mij door, dat zij op dat moment eigenlijk de kern van haar neurose onder
mijn aandacht bracht en onbewust ter verwerking, ter behandeling 'aan
bood'. Alsof het een logische in plaats van een gevoelsmatige vraag was,
groef ik ijverig en uiteraard tevergeefs netjes in mijn herinneringen en zei
dat ik me niets over opsluiten van haar door wie dan ook kon herinneren. Dàt
begreep ze niet; er móest haast wel zo'n ervaring ge-weest zijn. Hoe kon ze
er anders zo'n levendige angst voor hebben?
Pas later thuis na het herkauwen van alle nieuwe indrukken en na herlezing
van haar spel als kleuter drong de ware bedoeling van deze vraag ineens tot
mij door: Als kleuter sloot zij de moederpop immers op voor straf, omdat zij
Nettie geslagen zou hebben vanwege het bedplassen. Maar het was niet alleen
opsluiten uit wraak, maar ook laten opéten door de wilde beesten!
Niet alleen buitensluiten, maar geheel elimineren! Vanwege deze doodswensen
te-gen haar moeder strafte zij zichzelf nog steeds, mòet zij zichzelf wel
straffen, want zij, is au fond een veel te gevoelig en vriendelijk mens, met
een veel te strenge ge-wetensvorming tegen het koesteren van reële
doodswensen tegen (dierbare) familie-leden, om deze wensen straffeloos van
zich zelf te kunnen accepteren. Ook bij haar is het, net als bij Benno en
Jackie: liever zelf (schijn) dood, dan zelf doden. Zij moest bovendien nog
voor straf lijden onder angstaanvallen, waarbij zij bedreigd werd met
hetzelfde wrede lot dat zij haar moeder had willen laten ondergaan en nog
steeds wilde doen ondergaan, gezien de claustrofobie, waaronder zij zolang
zij zich herinneren kan geleden heeft. Hieronder zal zij mogelijk haar hele
leven blijven lijden, tenzij het bij een tweede follow up bezoek mocht
lukken, haar, via een agressie-provocerend en accepterend gesprekje te
brengen tot het geheel aanvaarden van haar moordend agressieve gevoelens,
door haar te laten beseffen dat die algemeen menselijk zijn, onvermijdelijk
opduikend bij ieder mens, die ernstig gefrustreerd wordt door iemand van
wie hij houdt en van wie hij die frustratie niet verwachtte. Misschien
kunnen wij een van de luie stoelen in haar gezellige huiskamer even tot een
hotchair laten worden, na haar eerst ter bemoediging over mijn eigen
ervaringen op zo'n privé hotchair te hebben verteld.
Slaapstoornissen en angsten van het jongste zoontje:
De angsten van haar jongste zoontje werden door haar te berde gebracht toen
de beide jongsten uit school thuiskwamen. Nadat hem verteld was, dat mensen
en kin-deren slecht kunnen slapen en vaak erg angstige dingen denken en vóór
zich zien, wanneer zij heel boos zijn op iemand, van wie zij erg veel
houden, kreeg ik hem er-toe waar moeder en zijn oudere concurrent bij waren
te vertellen hoe boos hij op vader was, omdat zijn oudere broertje altijd na
kantoortijd het eerst bij vader op schoot mocht zitten (omdat die het
rustigst was). Op mijn veronderstelling dat hij zich natuurlijk ook wel eens
aan moeder ergerde bracht hij openlijk en zelfs rechtstreeks tegen moeder
een beetje vergoelijkend verlegen verslag uit van een situatie, waar-bij zij
niet goed naar hem, als jongste, geluisterd zou hebben, waardoor zij
onbillijk zou hebben gereageerd. Hij was kennelijk niet bang voor moeder,
maar aangezien zij het hebben van woedende agressieve gevoelens nooit
tolereerde in huis had hij ze bij zichzelf genegeerd en verdrongen, tot hij
uit ons gesprek-met z'n-vieren be-greep, dat moeder tot een ander inzicht
gekomen was. Hieruit kunnen we meebele-ven, hoe snel een klein kind van te
strenge gewetensvorming verlost kan worden zo-dra zijn ouders het 'niet
meer nodig' vinden! Als ze weer eens woedend op bun ou-ders waren moesten ze
het maar zeggen, dan mochten ze fijn een van de divankus-sens aframmelen,
zei moeder zelfs.
Het tweede follow up bezoek, na een half jaar:
Het jongste zoontje was sinds het vorige familie onderonsje vrij van
angstige gilbuien 's nachts geweest en moeder was verlost van haar
claustrofobie: de wc deur en de badkamerdeur konden, voor het eerst zolang
zij zich herinneren kon, gewoon dicht. Alleen schrok ze nog een beetje als
er ergens in huis door een van de (spelende) kinderen een deur op slot
gedraaid werd. Deze voor mij zeer belangrijke gegevens werden en passant
verteld terwijl zij nogal geëmotioneerd haar hart luchtte over het wel en
wee van haar oudste kinderen met bun eventuele huwelijkspartners. Ook van de
toevalletjes had zij geen last meer gehad. Ze had kort geleden de relatie
met haar moeder weer hersteld, waarbij de ongeveinsde grote vreugde van haar
moeder bij haar onverwachte bezoekje veel van haar onzekerheid over moeders
gevoelens voor haar weggevaagd had. Vele van mijn eigen hierboven
weergegeven overdenkingen na het eerste follow up bezoek waren in het
afgelopen halfjaar ook bij haar opgedoken. Vandaar haar meer accepterende
en begrijpende, mildere instelling tegen haar oude moeder. Zij heeft er erg
op aangedrongen meer contacten met mij te hebben, in de hoop daardoor minder
snel overstuur te raken bij onverwachte emotionele ge-beurtenissen in haar
gezin en minder last van depressies te zullen hebben. Met het nu zonder
schuldgevoel bewust mogen registreren en uiten van hevige agressies bij
zichzelf en bij de kinderen, is zij al een eind op de goede weg. Later
vertelde zij hoe zij onder tranen samen met haar moeder dit hoofdstukje
gelezen had.
Dr. J. Stades-Veth.