Difficult Babies.1976. Dit is de verkorte versie van de lezing gehouden aan
de Universiteit van British Columbia 1973, maar aangevuld met adviezen, toe
te passen bij de behandeling van Difficult Babies; In The Canadian Nurse
Vol.72, no.12,Dec.1976.
“Het herkennen
en behandelen van probleem-babies”
“Moeilijke baby’s” komen niet tot het maken van de onmisbare sterke
hechtingsband met hun moeder, die bij een normale baby al tot stand komt in
de eerste weken.Veel baby’s maken de eerste dagen al oogcontact tijdens de
borstvoeding en volgen hun moeder ook al gauw met de ogen
Z.g. ”Moeilijke baby’s” vallen op door verstoringen bij de vijf belangrijke
reflexmatige activiteiten die juist zo van groot belang zijn voor de
ontwikkeling van het kindje.Deze activiteiten:-zuigen -huilen - zich
vastklampen- volgen met de ogen- en glimlachen, zijn de biologische
voorlopers voor veel belangrijke vaardigheden bij hun ontwikkeling. Het
ontbreken ervan, of de aanwezigheid ervan, maar alleen in een zwakke vorm,
zijn een alarmsignaal ervoor, dat speciaal deze baby en zijn moeder hulp
nodig hebben, om tot die onmisbare sterke hechtingsband, hun symbiose, te
komen.
De verstoring van deze reflexmatig bepaalde gedragingen valt op:
door: slecht of zwakjes zuigen, dat later aanleiding kan worden tot
moeilijkheden bij het eten en van doorslaggevend belang kan worden bij
negatieve interacties tussen moeder en kindje;
door: niet of nauwelijks te reageren met huilen en weinig geluidjes te
maken, wat later weer leidt tot onbeholpen praten;
door: niet of nauwelijks te reageren met zich vast te grijpen aan moeder,
hetgeen weer kan leiden tot een geringe behoefte zich lichamelijk te hechten
en tot onhandig omgaan met dingen;
door: weinig te volgen met de ogen, wat weer kan leiden tot weinig
oogcontact zoe-ken, of tot het geheel vermijden van oogcontact als gewoonte;
door: weinig of traag geneigd te zijn om terug te glimlachen of geluidjes te
maken of om te genieten van pret , ook met anderen, later.
Deze eigenschappen komen oorspronkelijk op een onwillekeurige, reflexmatige
basis aan het licht. Zij vormen de biologische grondslag van waaruit
hechting aan de moeder zou kunnen ontspruiten. Wanneer een kindje deze
eigenschappen niet vertoont kan dit als een teken van een zwakke
hechtingsband met de moeder worden beschouwd en als een aanwijzing dat
speciale hulp verleend moet worden aan dit koppeltje van moeder en baby.
Een baby kan nog andere eigenschappen vertonen die een bevredigende band met
de moeder in de weg staan; dat zijn gedragingen die extreme spierspanningen
of hevige opwinding lijken uit te drukken.
Hieronder vallen volgens dr. John Allan:
de hyperkinetische of “excessief irriteerbare” baby,
de hypotone, slappe of excessief “passieve” baby,
de hypertone, gespannen, zich stijf of gekromd houdende baby.
De normale baby.
Vergelijk nu de normale baby met de boven beschreven “moeilijke baby. De
normale baby zuigt hongerig en maakt daarbij meestal meteen al contact door
strak in moe-ders ogen te kijken. Het kindje huilt krachtig en grijpt zich
aan moeder vast als het opgepakt wordt, het volgt steeds actief met de ogen
de ogen van de moeder, lacht en praat tegen zijn ouders als het wat ouder
is, kortom het is een ontspannen, warme knuffelbaby, die het eenvoudig maakt
om tot een hechte band met moeder en vader te komen, in tegenstelling tot de
stille, inactieve baby.
Het Grote Belang van een Sterke Gehechtheid van Baby en Moeder Aan Elkaar.
.
Een bijzonder stadium van hechting overspant bij de mens de periode vanaf de
ge-boorte tot het derde jaar. Daarin voltrekken zich een reeks belangrijke
ontwikkelin-gen: door hun omgang, hun interactie met hun baby, groeit er dan
een speciale band tussen ouders en kind, die het een gevoel van vertrouwen
en veiligheid geeft, doordat zij hem steeds helpen zijn grote energie op een
veilige en sociaal aanvaardbare manier te ontladen. De eerst op de
voorbeelden van de ouders gebaseerde activiteiten van het kindje veranderen
geleidelijk, in bezigheden zonder zijn ouders, naar spelen met andere
kinderen en ook naar contacten met andere volwassenen. Vertoont een kindje
negatief, asociaal, soms ook provocerend gedrag, dan kan daaruit
geconcludeerd worden dat de band met de ouders, speciaal met de moeder,
beschadigd, of misschien zelfs al verbroken is. Vakkundige hulp is dan
nodig. In Canada, waar John Allan jarenlang tientallen baby’s samen met hun
moeder tijdens en na de kraamperiode observeerde, kwam er dan professionele
hulp van de Public Health Nurse, verbonden aan de Consultatiebureaus. Het
ging dan om “zich van hun moeder afwendende” babies, van een paar weken- of
maanden oud.
In sommige gevallen is het alleen al voldoende om de ouders bewust te maken
van het belang van hun eigen activiteiten met hun kindje, hoe het vanaf de
eerste uren en dagen al steeds een intensief, warm contact met hen, speciaal
met de moeder, dringend nodig heeft, om zijn gevoelsleven te kunnen
ontwikkelen. Soms is dit al genoeg om de ouders positief in te kunnen
schakelen. Dan kan de zo onmisbare hechting soms toch nog tot stand gebracht
worden en uitgroeien tot een warme band tussen ouders en kindje.
Het is dan nodig met hen de 5 belangrijkste activiteiten te bespreken die de
hechting aan de moeder vergemakkelijken en hoe de effecten daarvan versterkt
kunnen wor-den. Als het mislukt om een sterk zuigcontact tot stand te
brengen kan dit direct al tot grote spanning tussen moeder en baby leiden en
later allerlei moeilijkheden bij het eten geven. De moeder zou dan
aangemoedigd kunnen worden de baby zelf te la-ten aangeven wanneer hij
honger heeft, in welke houding hij het prettigst aan de borst lijkt te
liggen en later wanneer, hoe en wat hij graag wil eten
Huilen bevordert de band van moeder en baby, omdat hij haar ermee naar zich
toe kan roepen en zij hem dan telkens blijkt te kunnen helpen.Zij troost hem
door te ko-men en vooral door meteen tegen hem te praten, hem / haar op te
nemen en te knuffelen, de luier te verwisselen en hem/haar te laten
drinken.Heel nodig is het dat zij hem laat voelen, ook door de liefdevolle
toon waarmee zij tegen hem/haar praat, dat zij het goed vindt dat hij haar
met zijn huilen te hulp roept, en zo voor zijn eigen belangen opkomt!
Moeders moeten vooral ook het belang leren kennen van het elkaar volgen met
de ogen en van het oogcontact, om steeds contact met elkaar te houden door
in el-kaars ogen te kijken. De mate waarin de moeder hierop reageert, wordt
direct weer-spiegeld in het oogcontact dat de baby geeft en in de
intensiteit waarmee hij haar overal met zijn ogen volgt. Moeders hebben
opgemerkt dat hun baby’s een aanmer-kelijke hoeveelheid tijd besteden aan
het met hun blik aftasten, het scannen van hun moeder’s gezicht, meestal met
het resultaat dat er ineens oogcontact plaatsvindt. Dikwijls breekt daarbij
ineens een glimlach door bij haar kindje, omdat het blijkbaar een plezierig
gevoel van ontspanning veroorzaakt.
Haar volgen met de ogen en oogcontact maken met haar, schijnt het kindje met
het gezicht van de moeder vertrouwd te maken en is daarom van belang bij de
ontwikke-ling van de band tussen moeder en kind.
Het zich (aan haar) vastklemmen kwam oorspronkelijk reflexmatig tot stand,
maar komt omstreeks de zesde week onder controle van de wil van het kindje.
Het kan gestimuleerd worden door de baby veel gelegenheden te bieden dit te
oefe-nen.b.v.door onze vinger in de handpalm van de baby te leggen, zodat
hij die kan vastgrijpen en dan steeds steviger vastklemmen, zodat er een
prettig, stevig contact ontstaat dat even volgehouden kan worden. Moeders
kunnen het vastklemmen ver-sterken door haar baby een overvloed aan
oefengelegenheden te geven.
Het is ook belangrijk de moeder te leren hoe zij haar baby op een prettige
manier kan dragen zodat hoofdje, nekje en rugje voldoende ondersteund
worden, terwijl hij toch ook niet te stevig vastgehouden wordt. Er moet haar
verteld worden hoe je de baby kunt laten lachen, dat je, wanneer je hem
optilt, tegen hem moet praten en lachen en hem moet knuffelen, zodat je hem
ook aan het lachen maakt.
Het is erg belangrijk om aan deze moeders uit te leggen hoe je met speciale
manie-ren van je baby omarmen, vasthouden, (holden), kunt beďnvloeden dat
bv.een ex-cessief- stijve,of een excessief prikkelbare of een erg passieve
baby zich kan gaan ontspannen. Dit zijn de baby’s zegt John Allan, die ik
zou willen omschrijven als de ongewoon moeilijke baby’s. Voor hen vond ik
twee benaderingen effectief: met de eerste kunnen ouders geholpen worden om
te leren “wat” werkt bij deze baby, welke activiteiten hem tevreden maken,
welke spelletjes die je met hem speelt, hij leuk vindt. Die kunnen gebruikt
worden om hem tot een positief gedrag te brengen.( hem handelbaar te maken.)
Bij de andere benadering worden aan de ouders speciale holdingprocedures
ge-leerd, die ervoor bedoeld zijn het niveau van prikkelbaarheid te verhogen
of te verla-gen, of om de spierspanning te verlagen, zodat het- zich-
hechten gemakkelijker gaat. Ik vind deze holdingtechnieken van groot
belang,zei John Allan, daarom heb ik ze hier tot in detail beschreven:
De prikkelbare baby
Deze term slaat op de baby die constant huilerig is, die niet wil knuffelen
of op schoot wil zitten, die overdreven reageert op elke prikkel, overmatig
angstig is, en veel en hard huilt, (maar meestal zonder tranen). Zijn
overmatige prikkelbaarheid blijkt vaak niet te verhelpen met normale
kalmerende maatregelen. Aan de moeder kan geleerd worden om haar
geďrriteerde, gespannen en jengelende baby soepel, maar toch stevig, in haar
armen of op haar schoot te houden.Het is dan belangrijk dat zij allebei de
armpjes, samen met de handjes van haar baby, in haar handen houdt (zie
foto’s) en ze niet loslaat voordat de baby ontspant. Dit “holden” moet op
een erg gevoelige manier gebeuren. Als de baby zich stijf gaat houden of
zich helemaal gekromd houdt, dan moet de moeder zachtjes de druk van haar
handen opvoeren,tot dat die`bijna even groot, maar net iets sterker is dan
die van de baby, zodat de stijf gehouden armpjes en beentjes dóór gaan
buigen in de gewrichten, tot in een ontspannen positie. Dit zal
waarschijnlijk tot een hevige razernij van de baby leiden, waarbij hij de
ledematen weer uitstrekt en weer stijf houdt. De moeder moet dan leren hoe
zij tot een levende barričre voor haar baby kan worden, om tegen uit te
razen. Dat wil zeggen dat haar handen en armen niet moeten werken als
slagbomen, maar wel sterk genoeg moeten blijken om haar baby een bewegelijke
weerstand te bieden,maar ook een beetje mee te geven. Na een paar minuten
van zich steeds stijver houden en woedend uitrazen, begint de baby dan zijn
spieren te ontspannen en hevig te snikken. Op dat moment moet de moeder haar
weerstand opgeven en beginnen haar baby te troosten en daarmee het snikken
aan te moedigen. Dit kan zij bereiken door de troostende klank van haar stem
en door het kinnetje van haar baby wat naar zijn borst toe te drukken,wat
het ontspannende snikken bevordert. Na het snikken valt de baby soms even
ontspannen in slaap, of hij\zij blijft nog even tevreden in moeders armen
liggen. In sommige gevallen zijn er meerdere cycli van
woede-snikken-ontspannen nodig, voordat er een langdurige periode van
ontspanning bereikt is.
Met deze methode van holden, omarmd-houden, tracht men een omvorming te
be-reiken van de manier waarop een baby zijn impulsen of zijn energie
ontlaadt. Vak-kundig “holden” blokkeert of verhindert het vrijelijk ontladen
worden van energie door bewegingen van het lichaam, het dwingt energie om
zelfs kracht te leveren wanneer het besloten is in een stijve, gespannen
houding en het resulteert in een piekervaring van razernij en snikken, die
weer gevolgd wordt door een periode van ontspanning. Sommige moeders blijken
in staat dit holdingproces heel goed op te volgen, terwijl het aan anderen
verschillende keren getoond moet worden.
De gespannen Baby
Dat is een baby bij wie de tonus van de spieren ongewoon strak en stijf
is.Het is niet prettig een dergelijke baby op schoot te hebben of te
dragen;zij plooien zich niet naar moeder”s lichaam en ontspannen ook niet
wanneer zij omarmd worden, maar zijn eerder geneigd zich stijf te houden of
zich zelfs vrij te worstelen.Als het door de ouders steeds weer getolereerd
wordt wanneer de baby zo reageert, kan het kind later, als hij groot is,
zichzelf omsloten voelen in een reactiepatroon, waarmee hij zich nergens kan
aanpassen en van waaruit hij altijd zal proberen zijn ouders te controleren
en te manipuleren. Aan moeders van zulke baby’s zou gedemonstreerd moeten
worden, dat het met vakkundig holden mogelijk wordt om deze ongewoon
krampachtige, verkrampte spierblokkades af te zwakken. Bij sommige babies
kan dit heel simpel bereikt worden door vlak voor hen met hen te lachen en
pret te maken en met hen te praten, tegen hen te kwekken en het geluidjes
maken uit te lokken,omdat hiermee spanningen snel doorbroken worden. Zelfs
bij spierspanningen, midden in een bui van razernij , kunnen zij het niet
laten om te slaan in lachen en ontspannen geluidjes te maken.
De moeder moet soms de instructie krijgen haar baby 5of 10 minuten boven
zich te houden, zij moet hem dan onder de oksels vasthouden, optillen en
vooral het hoofdje iets voorover laten hangen en hem zo heen en weer en op
en neer be-wegen en hem daarbij pal in zijn gezichtje toelachen. De meeste
babies kunnen het, zo gestimuleerd, zelfs midden in een woedebui, niet laten
te gaan lachen en geluidjes te maken, hoewel dit in gevallen van de hevigste
spierspanningen toch dikwijls maar een korte periode van ontspanning
oplevert. In die gevallen moet aan de moeder geleerd worden om het lijfje
van de baby als een harmonica open-dicht en op-en-neer te bewegen. Zij moet
het lijfje buigen en strekken en daarbij het lijfje en de beentjes
voorzichtig ritmisch op en neer bewegen. Eerst leidt dit tot een toenemend
strekken of krommen van de rug tot het kindje woedend huilt en snikt. Hoe
woedender hij is en hoe dieper hij snikt, des te langer zal daarna de
periode van ontspannen en zich tegen moeder aanvleien gaan duren. Er wordt
gestreefd naar een vrije wisselwerking tussen moeder en kind. Meestal is de
baby besloten in een gesloten systeem met zijn eigen lichaam, de handjes in
elkaar geklemd, de beentjes over elkaar gekruist. Op den duur, door vol te
houden, begint de baby zich socialer te gedragen en geneigd te knuffelen,
terwijl de behoefte aan deze manier van holden vermindert. Het moet de
moeder ook worden aangeraden om haar stijve, stugge baby op zijn buik in
zijn bedje te leggen. Op die manier kan hij zijn spanningen ook verminderen
en zijn energie verbruiken door te trappen tegen de matras, zijn hoofdje op
te tillen en ook zijn schouders en zijn bovenlichaam op te lichten
.
De Passieve Baby.
Deze babies zijn maar heel weinig geneigd- en dan maar heel zwakjes-om zich
vast te grijpen aan hun moeder en zij zijn ook niet geneigd zich tegen haar
lichaam aan te nestelen en te knuffelen.Zij liggen liefst alleen in hun
bedje, in plaats van samen te willen zijn met haar en andere mensen. Zij
zijn geneigd lauw te reageren als zij geactiveerd worden.Deze inactiviteit
en dit gebrek aan sociale betrokkenheid gedurende hun eerste levensjaar laat
hun energie erg ongebruikt. Zij lijken ‘perfecte’ baby”s,totdat zij beginnen
te kruipen en te lopen. Op dat moment wordt het duidelijk hoe weinig zij
geleerd hebben doordat zij zo inactief geleefd hebben Een moeder van zo’n
passieve baby noemde haar lopende peuter een” kleine orkaan”.Moeders zouden
ervoor gewaarschuwd moeten worden dat die “perfecte” rustige babies extra
aandacht en zorg nodig hebben,want dat het anders later rampzalig kan
blijken dat zij zo vaak en lang alleen in hun bedje gelaten werden.Dat zij
zo weinig huilden en zo rustig waren had beschouwd moeten worden als een
oproep om aandacht te geven.Zij moeten door hun ouders rondgedragen worden
en er moet tegen hen gepraat worden,met hen gespeeld worden,zodat zij een
overvloed aan tastbare en gevoelsmatige sensaties krijgen. Deze ervaringen
zouden in grote mate ertoe gaan bijdragen dat deze toestand van passiviteit
verandert in levendigheid en active belangstelling. Het zou dan het toneel
hebben kunnen worden voor wederzijds contact en bevredigende, speelse
activiteiten
.
Preventie is de Sleutel:
John Allan beschrijft in 1976 dat in Canada de kinderverpleegster van het
consulta-tie bureau in de positie is om met de ouders te praten en hen te
adviseren over deze problemen en over de hierboven beschreven technieken.
Het probleem de “moeilijke baby’s” te bereiken zou veel eenvoudiger worden
wan-neer er bij de ziekenhuizen poliklinieken voor deze probleemkindertjes
zouden zijn en experts in consultatie bureaus, waar over hun kindje bezorgde
ouders, zouden kunnen binnenlopen om hun problemen te bespreken en van
waaruit zij vakkun-dige hulp zouden kunnen krijgen. Men moet gaan begrijpen
dat veel van de gedragsproblemen waarmee men geconfronteerd wordt nu het
kind 5 of 6 jaar(of ouder) is, ontstaan zijn tijdens hun leven als
pasgeboren baby, door onvoldoende contacten tussen moeder en baby toen. Het
ontdekken en verhelpen van de oorzaak van de huidige zorgwekkende
gedragingen is dus van het allergrootste belang.Van de omgang van moeder en
baby met elkaar, of die wel conform een hechte band, hun warme symbiose,
verlopen was, hing het af, of de baby , psychisch gezond en tevreden, zich
nu voorspoedig ontwikkelde.
Natuurlijk stammen niet alle latere ontwikkelingsstoornissen hiervan af.Een
ernstige ziekte met een ziekenhuisopname,de geboorte van een nieuwe baby in
de familie een sterfgeval en vooral onbeholpenheid van de ouders als
opvoeders, zullen allemaal het latere gedrag van het kindje beďnvloeden.
De moeilijke baby zendt echter duidelijke signalen uit naar mensen die
ervaring hebben met het gedrag van babies.Met hun hulp en steun kan de
nieuwe moeder misschien in staat worden gesteld de toestand van haar baby
zozeer te verbeteren, dat het smeden van die warme hechtingsband tussen
moeder en baby, die zo be-langrijk is voor de verdere ontwikkeling van de
relatie van het kindje met zijn ouders, zijn leeftijdsgenoot(jes) en zijn
wereldje, toch nog zal slagen.
Het wordt duidelijk dat het ontdekken en het verhelpen van deze abnormale
gedra-gingen van het allergrootste belang is.Het feit dat de ouders
incapabele opvoeders zouden zijn kan allemaal het latere gedrag van de baby
ongunstig beďnvloeden. Evenzeer kunnen allergische reacties bij de
baby(speciaal t.o.v. melk en eieren) een vernietigende invloed hebben op het
gedrag van het kindje.
Maar de “moeilijke baby” zendt duidelijke signalen uit naar diegenen
die.ervaring hebben met het gedrag van baby”s. Met hun hulp en steun zal de
nieuwe moeder misschien in staat blijken de conditie van haar baby te
verbeteren . Door haar nauwe contact met de nieuwbakken moeder is de
kinderverpleegster of de expert, wellicht in staat een vitale, effectieve
begeleidende rol te spelen. Die kan de ouders waarschuwen bij alarmsignalen
en zij kan de ouders laten zien hoe zij het gedrag van hun baby kunnen
verbeteren zo, dat dit het smeden van de zo onmisbare hechtingsband, de
symbiose met de moeder, en daardoor een goede relatie met leeftijdsgenootjes
en zijn medemensen toch mogelijk is.
Sympathieke en zorgzame begeleiding in de eerste levensweken- en maanden in
het leven van een baby, kunnen het verschil bewerkstelligen tussen een baby
die een bevredigende relatie opbouwt met zijn ouders – leidend tot een
gezonde en succesvolle aanpak van het leven in latere jaren – en het kind
dat gekweld wordt met de emotionele verstoringen,die gepaard gaan aan een
zwakke hechtingsband met zijn ouders.