Autisme en Holding    
Inleiding
- Wat kunt U op deze site vinden?
- Wat houdt de Holding Therapie in?
Probleembabies
- Herkennen en behandelen
- De normale baby
- Sterke gehechtheid
- De prikkelbare baby
- De gespannen baby
- De passieve baby
- Preventie
Autisme en Holding
- Holding- of Omarmingstherapie
- Fonsje
- Steven
- Elly
- Invloed geboorte
- Ogencontact
- Keesje
- Petertje
- Victor
- Theo
- Lichamelijke oorzaak
- Dr. Sickesz
Speltherapie
- Jopje
- Betty
- Jack
- Nettie
Literatuurlijst
Printversies
  Herkennen van en genezing van “Difficult babies” van John Allan. Vancouver 1976
 
 


Difficult Babies.1976. Dit is de verkorte versie van de lezing gehouden aan de Universiteit van British Columbia 1973, maar aangevuld met adviezen, toe te passen bij de behandeling van Difficult Babies; In The Canadian Nurse Vol.72, no.12,Dec.1976.

 

“Het herkennen en behandelen van probleem-babies”

“Moeilijke baby’s” komen niet tot het maken van de onmisbare sterke hechtingsband met hun moeder, die bij een normale baby al tot stand komt in de eerste weken.Veel baby’s maken de eerste dagen al oogcontact tijdens de borstvoeding en volgen hun moeder ook al gauw met de ogen
Z.g. ”Moeilijke baby’s” vallen op door verstoringen bij de vijf belangrijke reflexmatige activiteiten die juist zo van groot belang zijn voor de ontwikkeling van het kindje.Deze activiteiten:-zuigen -huilen - zich vastklampen- volgen met de ogen- en glimlachen, zijn de biologische voorlopers voor veel belangrijke vaardigheden bij hun ontwikkeling. Het ontbreken ervan, of de aanwezigheid ervan, maar alleen in een zwakke vorm, zijn een alarmsignaal ervoor, dat speciaal deze baby en zijn moeder hulp nodig hebben, om tot die onmisbare sterke hechtingsband, hun symbiose, te komen.
De verstoring van deze reflexmatig bepaalde gedragingen valt op:
door: slecht of zwakjes zuigen, dat later aanleiding kan worden tot moeilijkheden bij het eten en van doorslaggevend belang kan worden bij negatieve interacties tussen moeder en kindje;
door: niet of nauwelijks te reageren met huilen en weinig geluidjes te maken, wat later weer leidt tot onbeholpen praten;
door: niet of nauwelijks te reageren met zich vast te grijpen aan moeder, hetgeen weer kan leiden tot een geringe behoefte zich lichamelijk te hechten en tot onhandig omgaan met dingen;
door: weinig te volgen met de ogen, wat weer kan leiden tot weinig oogcontact zoe-ken, of tot het geheel vermijden van oogcontact als gewoonte;
door: weinig of traag geneigd te zijn om terug te glimlachen of geluidjes te maken of om te genieten van pret , ook met anderen, later.

Deze eigenschappen komen oorspronkelijk op een onwillekeurige, reflexmatige basis aan het licht. Zij vormen de biologische grondslag van waaruit hechting aan de moeder zou kunnen ontspruiten. Wanneer een kindje deze eigenschappen niet vertoont kan dit als een teken van een zwakke hechtingsband met de moeder worden beschouwd en als een aanwijzing dat speciale hulp verleend moet worden aan dit koppeltje van moeder en baby.

Een baby kan nog andere eigenschappen vertonen die een bevredigende band met de moeder in de weg staan; dat zijn gedragingen die extreme spierspanningen of hevige opwinding lijken uit te drukken.
Hieronder vallen volgens dr. John Allan:
de hyperkinetische of “excessief irriteerbare” baby,
de hypotone, slappe of excessief “passieve” baby,
de hypertone, gespannen, zich stijf of gekromd houdende baby.


De normale baby.
Vergelijk nu de normale baby met de boven beschreven “moeilijke baby. De normale baby zuigt hongerig en maakt daarbij meestal meteen al contact door strak in moe-ders ogen te kijken. Het kindje huilt krachtig en grijpt zich aan moeder vast als het opgepakt wordt, het volgt steeds actief met de ogen de ogen van de moeder, lacht en praat tegen zijn ouders als het wat ouder is, kortom het is een ontspannen, warme knuffelbaby, die het eenvoudig maakt om tot een hechte band met moeder en vader te komen, in tegenstelling tot de stille, inactieve baby.


Het Grote Belang van een Sterke Gehechtheid van Baby en Moeder Aan Elkaar.
.
Een bijzonder stadium van hechting overspant bij de mens de periode vanaf de ge-boorte tot het derde jaar. Daarin voltrekken zich een reeks belangrijke ontwikkelin-gen: door hun omgang, hun interactie met hun baby, groeit er dan een speciale band tussen ouders en kind, die het een gevoel van vertrouwen en veiligheid geeft, doordat zij hem steeds helpen zijn grote energie op een veilige en sociaal aanvaardbare manier te ontladen. De eerst op de voorbeelden van de ouders gebaseerde activiteiten van het kindje veranderen geleidelijk, in bezigheden zonder zijn ouders, naar spelen met andere kinderen en ook naar contacten met andere volwassenen. Vertoont een kindje negatief, asociaal, soms ook provocerend gedrag, dan kan daaruit geconcludeerd worden dat de band met de ouders, speciaal met de moeder, beschadigd, of misschien zelfs al verbroken is. Vakkundige hulp is dan nodig. In Canada, waar John Allan jarenlang tientallen baby’s samen met hun moeder tijdens en na de kraamperiode observeerde, kwam er dan professionele hulp van de Public Health Nurse, verbonden aan de Consultatiebureaus. Het ging dan om “zich van hun moeder afwendende” babies, van een paar weken- of maanden oud.
In sommige gevallen is het alleen al voldoende om de ouders bewust te maken van het belang van hun eigen activiteiten met hun kindje, hoe het vanaf de eerste uren en dagen al steeds een intensief, warm contact met hen, speciaal met de moeder, dringend nodig heeft, om zijn gevoelsleven te kunnen ontwikkelen. Soms is dit al genoeg om de ouders positief in te kunnen schakelen. Dan kan de zo onmisbare hechting soms toch nog tot stand gebracht worden en uitgroeien tot een warme band tussen ouders en kindje.
Het is dan nodig met hen de 5 belangrijkste activiteiten te bespreken die de hechting aan de moeder vergemakkelijken en hoe de effecten daarvan versterkt kunnen wor-den. Als het mislukt om een sterk zuigcontact tot stand te brengen kan dit direct al tot grote spanning tussen moeder en baby leiden en later allerlei moeilijkheden bij het eten geven. De moeder zou dan aangemoedigd kunnen worden de baby zelf te la-ten aangeven wanneer hij honger heeft, in welke houding hij het prettigst aan de borst lijkt te liggen en later wanneer, hoe en wat hij graag wil eten
Huilen bevordert de band van moeder en baby, omdat hij haar ermee naar zich toe kan roepen en zij hem dan telkens blijkt te kunnen helpen.Zij troost hem door te ko-men en vooral door meteen tegen hem te praten, hem / haar op te nemen en te knuffelen, de luier te verwisselen en hem/haar te laten drinken.Heel nodig is het dat zij hem laat voelen, ook door de liefdevolle toon waarmee zij tegen hem/haar praat, dat zij het goed vindt dat hij haar met zijn huilen te hulp roept, en zo voor zijn eigen belangen opkomt!
Moeders moeten vooral ook het belang leren kennen van het elkaar volgen met de ogen en van het oogcontact, om steeds contact met elkaar te houden door in el-kaars ogen te kijken. De mate waarin de moeder hierop reageert, wordt direct weer-spiegeld in het oogcontact dat de baby geeft en in de intensiteit waarmee hij haar overal met zijn ogen volgt. Moeders hebben opgemerkt dat hun baby’s een aanmer-kelijke hoeveelheid tijd besteden aan het met hun blik aftasten, het scannen van hun moeder’s gezicht, meestal met het resultaat dat er ineens oogcontact plaatsvindt. Dikwijls breekt daarbij ineens een glimlach door bij haar kindje, omdat het blijkbaar een plezierig gevoel van ontspanning veroorzaakt.
Haar volgen met de ogen en oogcontact maken met haar, schijnt het kindje met het gezicht van de moeder vertrouwd te maken en is daarom van belang bij de ontwikke-ling van de band tussen moeder en kind.
Het zich (aan haar) vastklemmen kwam oorspronkelijk reflexmatig tot stand, maar komt omstreeks de zesde week onder controle van de wil van het kindje. Het kan gestimuleerd worden door de baby veel gelegenheden te bieden dit te oefe-nen.b.v.door onze vinger in de handpalm van de baby te leggen, zodat hij die kan vastgrijpen en dan steeds steviger vastklemmen, zodat er een prettig, stevig contact ontstaat dat even volgehouden kan worden. Moeders kunnen het vastklemmen ver-sterken door haar baby een overvloed aan oefengelegenheden te geven.
Het is ook belangrijk de moeder te leren hoe zij haar baby op een prettige manier kan dragen zodat hoofdje, nekje en rugje voldoende ondersteund worden, terwijl hij toch ook niet te stevig vastgehouden wordt. Er moet haar verteld worden hoe je de baby kunt laten lachen, dat je, wanneer je hem optilt, tegen hem moet praten en lachen en hem moet knuffelen, zodat je hem ook aan het lachen maakt.

Het is erg belangrijk om aan deze moeders uit te leggen hoe je met speciale manie-ren van je baby omarmen, vasthouden, (holden), kunt beďnvloeden dat bv.een ex-cessief- stijve,of een excessief prikkelbare of een erg passieve baby zich kan gaan ontspannen. Dit zijn de baby’s zegt John Allan, die ik zou willen omschrijven als de ongewoon moeilijke baby’s. Voor hen vond ik twee benaderingen effectief: met de eerste kunnen ouders geholpen worden om te leren “wat” werkt bij deze baby, welke activiteiten hem tevreden maken, welke spelletjes die je met hem speelt, hij leuk vindt. Die kunnen gebruikt worden om hem tot een positief gedrag te brengen.( hem handelbaar te maken.)
Bij de andere benadering worden aan de ouders speciale holdingprocedures ge-leerd, die ervoor bedoeld zijn het niveau van prikkelbaarheid te verhogen of te verla-gen, of om de spierspanning te verlagen, zodat het- zich- hechten gemakkelijker gaat. Ik vind deze holdingtechnieken van groot belang,zei John Allan, daarom heb ik ze hier tot in detail beschreven:

De prikkelbare baby
Deze term slaat op de baby die constant huilerig is, die niet wil knuffelen of op schoot wil zitten, die overdreven reageert op elke prikkel, overmatig angstig is, en veel en hard huilt, (maar meestal zonder tranen). Zijn overmatige prikkelbaarheid blijkt vaak niet te verhelpen met normale kalmerende maatregelen. Aan de moeder kan geleerd worden om haar geďrriteerde, gespannen en jengelende baby soepel, maar toch stevig, in haar armen of op haar schoot te houden.Het is dan belangrijk dat zij allebei de armpjes, samen met de handjes van haar baby, in haar handen houdt (zie foto’s) en ze niet loslaat voordat de baby ontspant. Dit “holden” moet op een erg gevoelige manier gebeuren. Als de baby zich stijf gaat houden of zich helemaal gekromd houdt, dan moet de moeder zachtjes de druk van haar handen opvoeren,tot dat die`bijna even groot, maar net iets sterker is dan die van de baby, zodat de stijf gehouden armpjes en beentjes dóór gaan buigen in de gewrichten, tot in een ontspannen positie. Dit zal waarschijnlijk tot een hevige razernij van de baby leiden, waarbij hij de ledematen weer uitstrekt en weer stijf houdt. De moeder moet dan leren hoe zij tot een levende barričre voor haar baby kan worden, om tegen uit te razen. Dat wil zeggen dat haar handen en armen niet moeten werken als slagbomen, maar wel sterk genoeg moeten blijken om haar baby een bewegelijke weerstand te bieden,maar ook een beetje mee te geven. Na een paar minuten van zich steeds stijver houden en woedend uitrazen, begint de baby dan zijn spieren te ontspannen en hevig te snikken. Op dat moment moet de moeder haar weerstand opgeven en beginnen haar baby te troosten en daarmee het snikken aan te moedigen. Dit kan zij bereiken door de troostende klank van haar stem en door het kinnetje van haar baby wat naar zijn borst toe te drukken,wat het ontspannende snikken bevordert. Na het snikken valt de baby soms even ontspannen in slaap, of hij\zij blijft nog even tevreden in moeders armen liggen. In sommige gevallen zijn er meerdere cycli van woede-snikken-ontspannen nodig, voordat er een langdurige periode van ontspanning bereikt is.
Met deze methode van holden, omarmd-houden, tracht men een omvorming te be-reiken van de manier waarop een baby zijn impulsen of zijn energie ontlaadt. Vak-kundig “holden” blokkeert of verhindert het vrijelijk ontladen worden van energie door bewegingen van het lichaam, het dwingt energie om zelfs kracht te leveren wanneer het besloten is in een stijve, gespannen houding en het resulteert in een piekervaring van razernij en snikken, die weer gevolgd wordt door een periode van ontspanning. Sommige moeders blijken in staat dit holdingproces heel goed op te volgen, terwijl het aan anderen verschillende keren getoond moet worden.

De gespannen Baby

Dat is een baby bij wie de tonus van de spieren ongewoon strak en stijf is.Het is niet prettig een dergelijke baby op schoot te hebben of te dragen;zij plooien zich niet naar moeder”s lichaam en ontspannen ook niet wanneer zij omarmd worden, maar zijn eerder geneigd zich stijf te houden of zich zelfs vrij te worstelen.Als het door de ouders steeds weer getolereerd wordt wanneer de baby zo reageert, kan het kind later, als hij groot is, zichzelf omsloten voelen in een reactiepatroon, waarmee hij zich nergens kan aanpassen en van waaruit hij altijd zal proberen zijn ouders te controleren en te manipuleren. Aan moeders van zulke baby’s zou gedemonstreerd moeten worden, dat het met vakkundig holden mogelijk wordt om deze ongewoon krampachtige, verkrampte spierblokkades af te zwakken. Bij sommige babies kan dit heel simpel bereikt worden door vlak voor hen met hen te lachen en pret te maken en met hen te praten, tegen hen te kwekken en het geluidjes maken uit te lokken,omdat hiermee spanningen snel doorbroken worden. Zelfs bij spierspanningen, midden in een bui van razernij , kunnen zij het niet laten om te slaan in lachen en ontspannen geluidjes te maken.
De moeder moet soms de instructie krijgen haar baby 5of 10 minuten boven zich te houden, zij moet hem dan onder de oksels vasthouden, optillen en vooral het hoofdje iets voorover laten hangen en hem zo heen en weer en op en neer be-wegen en hem daarbij pal in zijn gezichtje toelachen. De meeste babies kunnen het, zo gestimuleerd, zelfs midden in een woedebui, niet laten te gaan lachen en geluidjes te maken, hoewel dit in gevallen van de hevigste spierspanningen toch dikwijls maar een korte periode van ontspanning oplevert. In die gevallen moet aan de moeder geleerd worden om het lijfje van de baby als een harmonica open-dicht en op-en-neer te bewegen. Zij moet het lijfje buigen en strekken en daarbij het lijfje en de beentjes voorzichtig ritmisch op en neer bewegen. Eerst leidt dit tot een toenemend strekken of krommen van de rug tot het kindje woedend huilt en snikt. Hoe woedender hij is en hoe dieper hij snikt, des te langer zal daarna de periode van ontspannen en zich tegen moeder aanvleien gaan duren. Er wordt gestreefd naar een vrije wisselwerking tussen moeder en kind. Meestal is de baby besloten in een gesloten systeem met zijn eigen lichaam, de handjes in elkaar geklemd, de beentjes over elkaar gekruist. Op den duur, door vol te houden, begint de baby zich socialer te gedragen en geneigd te knuffelen, terwijl de behoefte aan deze manier van holden vermindert. Het moet de moeder ook worden aangeraden om haar stijve, stugge baby op zijn buik in zijn bedje te leggen. Op die manier kan hij zijn spanningen ook verminderen en zijn energie verbruiken door te trappen tegen de matras, zijn hoofdje op te tillen en ook zijn schouders en zijn bovenlichaam op te lichten
.
De Passieve Baby.
Deze babies zijn maar heel weinig geneigd- en dan maar heel zwakjes-om zich vast te grijpen aan hun moeder en zij zijn ook niet geneigd zich tegen haar lichaam aan te nestelen en te knuffelen.Zij liggen liefst alleen in hun bedje, in plaats van samen te willen zijn met haar en andere mensen. Zij zijn geneigd lauw te reageren als zij geactiveerd worden.Deze inactiviteit en dit gebrek aan sociale betrokkenheid gedurende hun eerste levensjaar laat hun energie erg ongebruikt. Zij lijken ‘perfecte’ baby”s,totdat zij beginnen te kruipen en te lopen. Op dat moment wordt het duidelijk hoe weinig zij geleerd hebben doordat zij zo inactief geleefd hebben Een moeder van zo’n passieve baby noemde haar lopende peuter een” kleine orkaan”.Moeders zouden ervoor gewaarschuwd moeten worden dat die “perfecte” rustige babies extra aandacht en zorg nodig hebben,want dat het anders later rampzalig kan blijken dat zij zo vaak en lang alleen in hun bedje gelaten werden.Dat zij zo weinig huilden en zo rustig waren had beschouwd moeten worden als een oproep om aandacht te geven.Zij moeten door hun ouders rondgedragen worden en er moet tegen hen gepraat worden,met hen gespeeld worden,zodat zij een overvloed aan tastbare en gevoelsmatige sensaties krijgen. Deze ervaringen zouden in grote mate ertoe gaan bijdragen dat deze toestand van passiviteit verandert in levendigheid en active belangstelling. Het zou dan het toneel hebben kunnen worden voor wederzijds contact en bevredigende, speelse activiteiten
.
Preventie is de Sleutel:

John Allan beschrijft in 1976 dat in Canada de kinderverpleegster van het consulta-tie bureau in de positie is om met de ouders te praten en hen te adviseren over deze problemen en over de hierboven beschreven technieken.

Het probleem de “moeilijke baby’s” te bereiken zou veel eenvoudiger worden wan-neer er bij de ziekenhuizen poliklinieken voor deze probleemkindertjes zouden zijn en experts in consultatie bureaus, waar over hun kindje bezorgde ouders, zouden kunnen binnenlopen om hun problemen te bespreken en van waaruit zij vakkun-dige hulp zouden kunnen krijgen. Men moet gaan begrijpen dat veel van de gedragsproblemen waarmee men geconfronteerd wordt nu het kind 5 of 6 jaar(of ouder) is, ontstaan zijn tijdens hun leven als pasgeboren baby, door onvoldoende contacten tussen moeder en baby toen. Het ontdekken en verhelpen van de oorzaak van de huidige zorgwekkende gedragingen is dus van het allergrootste belang.Van de omgang van moeder en baby met elkaar, of die wel conform een hechte band, hun warme symbiose, verlopen was, hing het af, of de baby , psychisch gezond en tevreden, zich nu voorspoedig ontwikkelde.
Natuurlijk stammen niet alle latere ontwikkelingsstoornissen hiervan af.Een ernstige ziekte met een ziekenhuisopname,de geboorte van een nieuwe baby in de familie een sterfgeval en vooral onbeholpenheid van de ouders als opvoeders, zullen allemaal het latere gedrag van het kindje beďnvloeden.

De moeilijke baby zendt echter duidelijke signalen uit naar mensen die ervaring hebben met het gedrag van babies.Met hun hulp en steun kan de nieuwe moeder misschien in staat worden gesteld de toestand van haar baby zozeer te verbeteren, dat het smeden van die warme hechtingsband tussen moeder en baby, die zo be-langrijk is voor de verdere ontwikkeling van de relatie van het kindje met zijn ouders, zijn leeftijdsgenoot(jes) en zijn wereldje, toch nog zal slagen.


Het wordt duidelijk dat het ontdekken en het verhelpen van deze abnormale gedra-gingen van het allergrootste belang is.Het feit dat de ouders incapabele opvoeders zouden zijn kan allemaal het latere gedrag van de baby ongunstig beďnvloeden. Evenzeer kunnen allergische reacties bij de baby(speciaal t.o.v. melk en eieren) een vernietigende invloed hebben op het gedrag van het kindje.
Maar de “moeilijke baby” zendt duidelijke signalen uit naar diegenen die.ervaring hebben met het gedrag van baby”s. Met hun hulp en steun zal de nieuwe moeder misschien in staat blijken de conditie van haar baby te verbeteren . Door haar nauwe contact met de nieuwbakken moeder is de kinderverpleegster of de expert, wellicht in staat een vitale, effectieve begeleidende rol te spelen. Die kan de ouders waarschuwen bij alarmsignalen en zij kan de ouders laten zien hoe zij het gedrag van hun baby kunnen verbeteren zo, dat dit het smeden van de zo onmisbare hechtingsband, de symbiose met de moeder, en daardoor een goede relatie met leeftijdsgenootjes en zijn medemensen toch mogelijk is.
Sympathieke en zorgzame begeleiding in de eerste levensweken- en maanden in het leven van een baby, kunnen het verschil bewerkstelligen tussen een baby die een bevredigende relatie opbouwt met zijn ouders – leidend tot een gezonde en succesvolle aanpak van het leven in latere jaren – en het kind dat gekweld wordt met de emotionele verstoringen,die gepaard gaan aan een zwakke hechtingsband met zijn ouders.