Holding- of Omarmingstherapie
Bevrijding van het autistische kind van zijn pantsering kan bereikt worden
door toepassing van de Mother Child Holdingtherapy (Ned: Volhardend
Intensief Omarmen) door de moeder, gesteund door de vader, liefst begeleid
door een holding- of omarmingstherapeut.
Holding is een moederlijke vorm van intensive care, dat wil zeggen tijdens
intense, langdurige omarmingen, liefst op schoot, het kind aandacht van de
moeder en eventueel ook van de vader geven.. Het moet worden volgehouden,
tot het kind zijn afwijzendheid en verdrietige, boze verzet opgeeft en zich
weer tegen haar of hem aan gaat vlijen.
Meer inhoudelijke informatie over de holdingtherapie:
Wanneer een autistisch kindje bij de eerste keer dat het op schoot genomen
wordt, ondanks zijn hevige verzet, er niet in slaagt zich los te werken,
zodat het zich, onontkoombaar stevig omarmd, eigenlijk geheel machteloos
omsloten voelt door zijn moeder, zo nodig geholpen door vader, dan komt het
meestal tot enige woede-uitbarstingen die lijken op hevige driftbuien. Het
worstelen, vechten, schreeuwen en huilen daarbij geeft het kind langs
natuurlijke weg de gelegenheid, zijn in de loop der jaren opgekropte
gevoelens van woede, machteloosheid, verdriet, eenzaamheid en ellende
helemaal ongeremd uit te razen, maar nu veilig omsloten in moeder ’s armen
en daarbij begrijpend-accepterend en troostend toegesproken door haar en
door vader. Juist deze, door de ouders geaccepteerde ontladingen werken
buitengewoon genezend op het kind en zijn een voorwaarde voor het slagen van
de therapie. (Zie de foto’s op blz. …)
Na het hevige huilen dat meestal volgt op de machteloze woede-uitbarstingen,
valt het kind meestal in een kort slaapje op moeders schoot, om even later,
verbaasd rondkijkend, wakker te worden. Het kijkt moeder dan, blij-verbaasd
en opgelucht, meestal lang in de ogen, om dan ook zijn vader lang aan te
kijken. Meestal blijft het kind eerst nog even een poosje op schoot genieten
van het ongekend heerlijke, vroeger altijd angstig vermeden, intieme contact
met vader en moeder, leunt nog even tevreden tegen hen aan, zegt soms zelfs
voor het eerst iets! Dat het al wel wat praten kan heeft het meestal (bijna)
verborgen weten te houden
Het autistische kindje heeft geen herinneringen aan de gebeurtenissen
tijdens de Omarmingstherapie (Engels: Mother-child Holding). Mogelijk raakt
het in een soort trance? Het is er achteraf dan ook nooit boos over, terwijl
het er toch hevig tegen protesteert wanneer moeder het kind, tegen zijn zin,
op schoot neemt en omarmt, want een autist wil nooit dat je hem zelfs maar
aanraakt, ook niet om hem aan te kleden. Daarna gaat het kind meestal even
rondlopen en kijken naar alles om hem heen, dat wel nieuw voor hem lijkt.
Intussen blijven wij trillend van emotie achter, de moeder meestal "op" van
vermoeidheid en we zien deze metamorfose verwonderd aan. Het kind gaat dan
meestal ook even spelen, soms, tot onze grote verbazing , op een onverwacht
hoger ontwikkelingsniveau.
Het ontstaan van de Holding-of Omarmingstherapie
Het was ontwikkelingspsycholoog Robert Zaslow (California, USA) die
omstreeks 1965 als eerste deze therapie voor autisten ontdekte. Voordien
werden autistische kinderen overal aan hun lot overgelaten. Robert Zaslow
observeerde namelijk toevallig hoe in een inrichting deze omarmingstherapie
werd toegepast door een groepsleider, die een onhandelbare puber zó lang in
zijn armen tegen zich aangedrukt bleef houden, tot de jongen, geheel
gekalmeerd, bereid was mee te werken. Zaslow paste dit toen toe bij autisten
in zijn eigen praktijk. Hij noemde deze therapie Forced Holding. Hij
ontdekte daarbij dat deze therapie beter werkte wanneer hij dit “Omarmd
houden” door de moeder van de autist liet doen.
Zijn Canadese leerling John A. B. Allan, ontwikkelingspsycholoog, noemde het
liever “Holding”, “Omarmd houden”. Terug in Vancouver (Canada) paste hij het
niet alleen met succes toe op (jonge) autistische kinderen, maar vooral ook
preventief op de, hun moeder afwijzende en van haar wegkijkende
(huil)baby’s, die hij “Difficult baby’s” noemde. Toen al, in 1970, vermoedde
hij dat deze baby’s een begin van autisme vertoonden en dat autisme dus
misschien al op babyleeftijd zou kunnen ontstaan of veroorzaakt zou kunnen
worden. Daarbij overwoog hij ook, of de moeder daar dan mogelijk een rol bij
zou kunnen spelen. Misschien was hij op dit idee gekomen omdat Zaslow immers
had ontdekt dat de moeder van de autist, door hem omarmd te houden, hem het
best tot genezing kon brengen.
Daarom ging Allan zelf moeders met hun baby observeren en organiseerde hij
teams van ervaren moeders die ieder een kraamvrouw bleven observeren en
begeleiden en haar leerden, goed te moederen, ook nog als zij weer thuis
waren met hun baby. Tijdens de observatieperioden zouden ook de
consultatiebureau bezoeken nog plaats moeten vinden net zo lang tot deze
moeders zich (weer) vertrouwd voelden in hun omgang met hun kindje, dat haar
dan wèl weer steeds wilde aankijken en bij haar wilde zijn.
Allan kon zijn artikel over dit uiterst belangrijke preventieve werk,
waarover hij in 1974 een belangrijke lezing hield aan de Universiteit van
British Columbia, nergens gepubliceerd krijgen, behalve in het blad The
Canadian Nurse: Vol. 72.No. 12.Dec.1976. De medische wereld vond het
onderwerp namelijk niet belangrijk genoeg om het te plaatsen in een medisch
tijdschrift. De zich van hun moeder afwendende, huilerige baby’s werden niet
als patiëntjes (h)erkend. Dat er onder hen drie verschillende types
autistische baby’s waren, die Allan wist te onderscheiden en benoemen en die
ieder een iets andere aanpak nodig bleken te hebben, wist men evenmin. (Zie
Tinbergen, 1983, blz 263).
John Allan paste ook bij niet-autistische, (zeer) moeilijk opvoedbare
schoolkinderen en ook op oudere contact-gestoorde kinderen de
Holdingtherapie met succes toe. Bij hen combineerde hij het met “Counseling”
om hen te helpen de redenen voor hun abnormale gedrag te leren bespreken.
Omdat de medische wereld het preventieve werk van Allan in Canada over het
mogelijke ontstaan van autisme onbelangrijk bleef vinden - terwijl daarnaar
internationaal gezien juist intensief gezocht werd - en het in en buiten
Canada ook geen publiciteit kreeg (echter wel in Italië en Japan), ging John
Allan lange tijd samenwerken met Dr. Zapella in Italië en vooral ook in
Japan met Dr. Hideo Abe, waar later enige boeken van Dr. John A.B. Allan en
Dr. J.A. Stades-Veth voor ouders en ook voor de opleiding van
holdingtherapeuten, vertaald in het Japans, verschenen.
Prof. Dr. Niko Tinbergen hielp (op blz. 283 van zijn handboek, “Autistic
children” new hope for a cure, 1983.) met een uitgebreid verslag mee aan de
internationale verspreiding van John Allan’s publicatie uit 1976 over zijn
vroege ontdekking van de mogelijke rol van de moeder bij het ontstaan van
autisme bij haar baby.
Via Tinbergen’s publicatie werken wij nu ook met de door Allan ingevoerde
drie types autistische baby’s, namelijk de hyperkinetische of excessief
irriteerbare baby’s, de excessief slappe, passieve baby’s en de excessief
zich stijf of gekromd houdende baby’s. Over hen meende Allan, na uitvoerige
observaties door hemzelf en door de observatieteams, door hem georganiseerd
in Canada, dat deze baby’s ieder op een van elkaar verschillende manier door
hun moeders “gehold” en bemoederd moesten worden en dat er observatieteams
moesten komen om moeders, samen met hun baby, te observeren en de moeders
die daar behoefte aan hadden, te begeleiden tot hun baby niet meer de
neiging vertoonde haar af te wijzen door steeds van haar weg te kijken of
zich van haar af te draaien. Dit autistiforme gedrag bleken veel moeders van
oudere autisten zich van hun kind als baby te herinneren, terwijl dit toen
meestal pas op ruim driejarige leeftijd als autisme herkend werd…
Martha Welch, psychiater in New York, paste de holding-therapie in navolging
van Zaslow en John Allan in de zeventiger jaren met succes toe bij oudere
kinderen. Zij stichtte daar een Motheringcenter waar zij nog steeds met haar
autistische patiëntjes en hun moeders, dikwijls in groepjes, de
Holdingtherapie beoefent, hetgeen zeer stimulerend blijkt te werken. Zij
noemde het “Mother-Child Holding”.
Aangezien Martha Welch totaal niet kon doordringen tot een 5-jarige
autistische jongen die haar tijdens haar opleiding in New York ter
bestudering was toegewezen, wijdde zij zich maar aan de moeder. Tijdens een
contact bij de grootmoeder thuis kwam het tot een belangrijk gesprek met
haar, omdat moeder en zoon niet waren komen opdagen. Grootmoeder beklaagde
zich erover dat zij als kind en ook later, zelf nooit eens omarmd of
geliefkoosd was, dat zij haar dochter ook nooit omhelsd had en dat haar
kleinzoon ook nooit door haar of door zijn moeder geknuffeld werd. Zij
konden het gewoonweg niet opbrengen. Maar toen haar dochter op Moederdag een
cadeautje voor haar meebracht, kon oma het niet laten haar dochter ineens te
omhelzen! Dit bracht niet alleen een enorme emotionele ontlading bij haar
dochter teweeg, maar ook bij haar 5-jarige autistische kleinzoon, die hen
had gadegeslagen en er plotseling bij kwam staan om ook omarmd te worden!
Hij begon zelfs iets te zeggen, terwijl hij nooit eerder gesproken had en
zich ook nog nooit met hen bemoeid had.
Door de verrassende ontdekking van wat het elkaar wel- en het elkaar niet
omarmen bij een autistisch kind teweeg kan brengen en vooral ook van het
verrassende effect van het zien hoe anderen elkaar omarmen, liet Martha
Welch sindsdien de moeders van haar autistische patiëntjes haar kind op
schoot nemen en stevig omarmen, hoewel deze kinderen dat vaak absoluut niet
wilden. Maar Welch liet het kind dan toch stevig door de moeder omarmen,
desnoods een uur lang, liefst geholpen door vader, tot het kind van
vermoeidheid zijn boze verzet opgaf en dan meestal, al huilend, nog steeds
op schoot, in slaap viel. En dan gebeurde er iets wonderlijks: na dit
meestal korte slaapje ontwakend, keek het kind verbaasd, heel stil zijn
moeder aan, alsof zij nieuw voor hem was. Het richtte zich op, betastte haar
gezicht en keek haar lang in de ogen, keek dan ook vader aan. Kortom, het
kind kwam terug in zijn familie en in de mensenwereld. Toen bij zeer vele
van haar autistische patiëntjes deze positieve gang van zaken zich steeds
weer herhaalde, noemde Welch het “Mother-Child Holding” en schreef er een
artikel over om het bekendheid te geven. Maar het lukte ook haar niet er een
uitgever voor te vinden. Wanhopig riep zij de hulp in van etholoog en
Nobelprijswinnaar Prof. Dr. Niko Tinbergen van wie zij wist dat hij, samen
met zijn vrouw Elisabeth, bezig was een handboek te publiceren over hun
observaties aan autistische kinderen en over alle onderzoeken,
internationaal aan deze kinderen gewijd, echter zonder er een therapie voor
te vinden. Na het meemaken in New York van de Holdingsessies, bij Martha
Welch thuis, meestal in kleine groepjes van 3 of 4 moeders met hun
autistische kind, waren de Tinbergens zo overtuigd van de waarde van Welch’s
werkwijze, dat zij aanboden haar, door ettelijke uitgevers geweigerde
artikel “Retrieval from autism, through mother-child holding” als appendix
aan hun boek “Autistic children” new hope for a cure, toe te voegen. Dat was
in 1981.
In datzelfde jaar bracht Tinbergen “Mother-Child Holding” zelfs als
onderwerp voor zijn jaarlijkse lezing in Lindau, Duitsland, onder de
aandacht van een internationaal gezelschap Nobelprijslaureaten. Daarbij
gebeurde er iets onverwachts en positiefs voor de verspreiding van de
Holding- of Omarmingtherapie.
Het is interessant hier te vernemen hoe Martha Welch tijdens haar opleiding
tot psychiater in New York toevallig eerst met het verrassende effect van
Holding, ook in groepsverband, geconfronteerd werd en hoe zij, kort daarna,
in Lindau in contact kwam met een collega, Dr. Jirina Prekop, een ervaren
ontwikkelingspsycholoog uit Stuttgart, via een initiatief van mevrouw
Tinbergen in een hotel in Lindau.
In het verslag in de Lindauer Zeitung over Tinbergen’s voordracht kwam een
moeder met haar 9-jarige autistische zoon naar hun hotel en vroeg hen of hij
met holding te helpen zou zijn. Er werd niet lang over gepraat. Mevrouw
Tinbergen liet de moeder meteen haar verbaasde, zich hevig verzettende zoon
op schoot trekken en stevig omarmen. Zij hielpen haar dit vol te houden tot
de jongen huilend zijn verzet opgaf en daarna zelfs nog een poosje op schoot
wilde blijven zitten. Even later ging hij rustig met zijn moeder mee naar de
eveneens in Lindau wonende Dr. Jirina Prekop, die nu met eigen ogen kon zien
hoe deze jongen, met wie zij eerder niets had kunnen bereiken, veranderd was
na dat ene uur Volhardend Omarmen!
Voortvarend verdiepte Prekop zich direct in deze methode, riep de ouders van
de autisten die zij vroeger altijd had moeten teleurstellen op, om met hun
hulp het effect van het Omarmen (Holding) op hun kind te onderzoeken. De
resultaten waren zo verrassend, dat Prekop nog in datzelfde jaar ook verslag
hierover aan de Tinbergens uitbracht dat nog net, als postscriptum, ook aan
hun boek, wat in 1983 verscheen, zodat het aan hun boek kon worden
toegevoegd.
Prof. Dr. P.H. Damstee en zijn staf van de afdeling Foniatrie van de
Medische Faculteit van de Universiteit te Utrecht hadden zich al jaren
tegenover autistische kinderen, die naar hen werden verwezen vanwege hun
spraakproblemen, even machteloos gevoeld als Prekop. Toen men daar in 1983
in Tinbergen’s pas verschenen boek “Autistic Children”, new hope for a cure,
kennis maakte met de verslagen daarin over de resultaten met de therapie van
het Volhardend Omarmen door Welch en Prekop, riep met in Utrecht, net als
Prekop, alle vroeger teleurgestelde ouders met hun autistische kind op om
deze nieuwe therapie ook te komen proberen.
Dit gaf zulke goede resultaten dat tot het organiseren van het
Internationaal Symposium Holding Therapy werd besloten dat op 1 december
1984 werd gehouden te Utrecht. Voor een volle collegezaal gaven Welch en
Prekop uitvoerige uiteenzettingen over Volhardend Omarmen. Er waren ook veel
ouderparen aanwezig, waarvan sommige mee wilden doen aan de Workshop Holding
(Volhardend Omarmen), die de volgende dag in het kasteeltje Rhijnouwen bij
Utrecht gehouden zou worden…..Ook daar zagen we hoe deze ouders, gesteund
door Welch en Prekop, aangemoedigd werden het omarmen van hun autistische
kind vol te houden, ondanks het vaak wilde verzet en gehuil van hun kind.
De ouders werden tenslotte allemaal beloond voor het volharden van hun
inspanningen. Hun kind, dat hen soms al jarenlang had afgewezen, keek nu, na
het slaapje van uitputting na het vechten, lang in moeder’s ogen, aaide haar
soms over haar gezicht, zei soms zelfs iets en keerde zich ook naar vader.
Het wilde zelfs nog langer bij moeder op schoot blijven zitten. De ouders
waren dankbaar dat ze ertoe gebracht waren, vol te houden.
Na het symposium meldden zich vele ouderparen bij Foniatrie en ook bij vele
therapeuten, verspreid over Nederland.
Bij fotoserie:
Deze moeder slaagde er pas na een urenlange strijd met haar totaal
onhandelbare, agressieve dochtertje in, haar van haar razernij en
onhandelbaarheid te bevrijden, door heel liefdevol koesterend omarmend,
overredend en troostend haar tegen zich aan gedrukt te blijven houden, tot
haar kindje verlost was van haar razernij tegen haar moeder.
Ik vernam van verschillende therapeuten dat, ondanks de vaak veelbelovende
resultaten met het Omarmen-Holding, steeds minder kinderen naar hen werden
toegestuurd door medici, dagverblijven of andere professionals. Mede omdat
publicaties over Holding vrijwel overal geweigerd werden, raakte het werken
met de therapie van het Volhardend Omarmen hier in Nederland – zover we nu
weten – geleidelijk aan onbekend. Intussen nam het grote vlucht in vele
andere landen, vanaf Tinbergen’s steun in 1983 aan John Allan en daarna aan
Martha Welch en Prekop. Misschien dat nu de jongste generatie autistisch
geworden kinderen via initiatieven van hun ouders kan gaan profiteren van de
intussen jarenlang bijeengebrachte ervaring (zoals vastgelegd in boeken en
video’s van holdingtherapeuten als John Allan in Canada, Welch in New York,
Prekop in Duitsland, Hideo Abe in Japan, John Richter en o.a. Philippa
Elmhirst en vele andere in Engeland en vooral de Tinbergens). Zij geven met
hun handboek “Autistic children’ new hope for a cure (1983) nog steeds een
onschatbare steun. Van sommigen van hen, waaronder ook John Allan, werden
zijn publicaties over Volhardend Omarmen samengevoegd tot een “Reader
Holding Therapy”, verschenen tijdens het symposium in Utrecht in 1984.
Ondanks deze positieve resultaten met holding (zie Fonsje,
Steven, Elly en Victor) werden in ons land na 1985 vrijwel geen autisten
meer ingestuurd door instanties of artsen. Publicaties over Holding werden
vrijwel overal geweigerd. Alleen door ouders die zelf het initiatief genomen
hadden werd nog een beperkt aantal vooral jonge autistische kinderen
bevrijd. In Nederland groeiden zowel voor als na 1985 de meeste autistische
kinderen zonder meer op tot de volwassen autisten van nu.
FONSJE
Het 5-jarige jongetje Fonsje, dat als autistje zelfs nog nooit gespeeld had,
vond na afloop van de holdingsessie zelf een poppenwagentje tussen het
speelgoed, legde er een beertje in en dekte het toe, waarna hij er mee rond
ging rijden. (Dit was in 1984, in de speelkamer van Foniatrie in Utrecht,
met een 'one way screen'.) Gevraagd om een bekertje water naar zijn vader te
brengen onderbrak hij daarvoor zijn wandelingetje met het beertje en bracht
het vlot, zonder te morsen naar vader.
Zoals te doen gebruikelijk zal men nu wel weer zeggen:"Oh, maar dan was het
geen autist." Maar op Foniatrie had men hem als cliëntje moeten afwijzen,
toen hij eerder daarheen verwezen was omdat hij nog helemaal niet sprak en
noch op de speelkamer, noch op de logopediste reageerde, alsof hij haar
helemaal niet eens zag. Hoe het ook zij: na de omarmingsessie door moeder en
vader maakte hij voor het eerst contact met hen en ook met andere mensen en
speelde en reageerde hij, direct daarna, ineens heel gewoon, En daar gaat
het tenslotte om! Hij moest natuurlijk nog wel allerlei
ontwikkelingsachterstanden inhalen, maar gezien zijn eerste spel en zijn
sociale gedrag zou dat bij hem verrassend vlot kunnen gaan, want hij
reageerde al op het niveau van een 3 jarige, terwijl hij als autist nog vele
baby- en peutergewoonten had. Want hij was als baby autist geworden. Het
‘bevrijde’ kind zal b.v. eerst toch nog een tijdje fijngemaakt voedsel en
zijn fles nodig hebben en soms nog onzindelijk zijn. Soms zal hij ineens
zijn handjes weer vlak voor zijn ogen heen en weer draaiend, bekijken, maar
dat babygedrag zal vanzelf spoedig verdwijnen, als wij er ons vooral maar
niet mee bemoeien. Want dát kan soms een complete terugval veroorzaken!
Volgens ons kind laten wij dan zien en horen dat wij niet blij en tevreden
met hem zijn. Van een baby stoort zoiets ons namelijk niet, van een ouder
kind vinden wij het gênant en onopgevoed.
Wat mij verbaast is, dat het ene kind na afloop vele van zijn achterstanden
en vreemde gewoontes ineens afgelegd heeft, terwijl andere kleine
ex-autisten na de omarmingstherapie wel op dezelfde wijze voor het eerst
blij contact met hun moeder en vader maken en dan óók wel met iets gaan
spelen, maar bv. nog korte tijd blijven lopen als een peuter: een beetje
wijdbeens, op een drafje op hun tenen en met wijd uitzwaaiende armen, om
evenwicht te houden; terwijl ze bv al 5 of 7 jaar zijn.
Zij halen die ontwikkelingsachterstanden meestal snel in, als men hen maar
geen kritiek geeft en hen niet opjaagt. Het komt allemaal vanzelf wel. Ze
moeten elk niveau blijkbaar even doorléven tot ze (meestal heel gauw), aan
het volgende toe zijn. Bij kritiek vallen ze soms weer terug op het oude,
ongenaakbare, autistische niveau en worden dan weer onbenaderbaar, uit angst
en gekwetstheid door onze afkeuring. Want zij willen er nu heel erg graag
bij horen en goed gevonden worden zoals ze dan al zijn. En onze maatstaven
kunnen ze uiteraard nog niet meevoelen met ons. De moeder kan hem behoeden
tegen onverstandige opmerkingen van de omgeving.
Ze ondernemen van alles, beginnen vooral hun ouders te imiteren, verliezen
daardoor snel allerlei rare (kinderachtige) gewoontes, maar zij moeten
daarbij wel onopgemerkt, een poosje veilig uit de verte begeleid worden.
Voordat ze kunnen kauwen slikken ze bv. een groot stuk vlees of aardappel
meteen door als pap en stikken dan soms werkelijk bijna. Ze kennen de
gevaren van de wereld om hen heen nog niet.
Fonsje heb ik jarenlang, via telefoongesprekken met zijn moeder, gevolgd.
Hij bezocht al gauw een kleuterschooltje en daarna een Lom-school. Toen was
hij 7 jaar. Hij moest natuurlijk jarenlange leerstof inhalen. Hij had veel
vriendjes en thuis had hij ook helemaal geen problemen gegeven. Moeder was
nog steeds erg dankbaar dat zij en haar man, op Foniatrie in Utrecht met
Fonsje aan die eerste demonstratie Volhardend Omarmen met de Mother-child
Holdingtherapie van John Allan, Martha Welch en Jirina Prekop hadden
meegedaan.
STEVEN
Het geval van Steven, een autistische, dikke hypotone 'baby' van 3 jaar
(20-3-2003)
Een versneld ontwikkelingsproces binnen een maand maakten we mee met een al
bijna 3 jaar oude, nog maar een maand geleden als een roerloze,
weldoorvoede, niet-reagerende pudding, slap en plat languit op zijn rug
terneer liggende, dikke, enorme baby, zijn zware benen en mollige voeten
slap zijwaarts gekanteld. Het was een heel knap jongetje, maar toen staarde
hij nog onbenaderbaar, van onder half dichtgezakte oogleden in het niets.
Meestal kloof hij op zijn arm of trok met zijn tanden steeds zijn mouw stuk.
Verder knarsetandde hij zo veel, dat zijn gebit helemaal afgesleten was,
iets dat nu haast niet meer voorkomt. Hij kijkt je nu aan met prachtige,
wijd open helderblauwe ogen, want hij heeft intussen contact met moeder en
met zijn medemensen gekregen.
In de bovenbeschreven toestand verkeerde hij ook al toen hij, 6 maanden oud,
weer thuis gekomen was na een opname voor onderzoek in een kinderziekenhuis.
De moeder had daarbij niet aanwezig mogen zijn. Neuroloog, psychiater en
huisdokter verklaarden hem daarna autistiform en hypotoon en achtten een
opname in een inrichting binnenkort te verwachten.
Sindsdien was er vrijwel niets veranderd. Alleen was het bijten en
knarsetanden met het groeien van zijn gebit geleidelijk steeds erger
geworden.
Ik kreeg met hem te maken nadat zijn moeder mij had opgebeld omdat zij van
het congres Holding Therapy in Utrecht (1984) ter genezing van autistische
kinderen had gehoord. Zij kondigde meteen aan dat zij haar zoontje per se
niet tegen zijn zin, met geweld, wilde laten vasthouden. Ik heb haar
uitgelegd dat 'holden' vertaald moet worden met “Omarmen” en dat de ouders
dat zelf doen.
Het bleek dat zij nog nooit contact met haar zoontje gehad had. Hij
reageerde nergens op. Dus had hij jarenlang boven in zijn kamertje stil
liggen dik worden en liggen knarsetanden en bijten, zoals in een kooi
opgesloten dieren ook gaan doen. Dat schijnt een soort narcotiserend effect
te hebben omdat er in het lichaam 'endorfine' door vrijgemaakt wordt,
waardoor zij hun lot beter kunnen verdragen.
Hoe dan ook, bij Steven moest die eenzame afzondering en die
bewegingloosheid meteen doorbroken worden. Ik raadde de moeder aan hem
overdag uit zijn bedje te halen, hem aan te kleden, hem in haar armen naar
de sofa in de huiskamer te dragen en hem daar op schoot te nemen. Wanneer
zij daar te moe van werd, want hij was loodzwaar, moest zij hem op de bank
naast zich, tegen zich aan laten leunen, of liefst proberen hem, goed
ondersteund met kussentjes, een beetje rechtop te laten zitten. Dan zou zij
ze hem een beetje kunnen knuffelen en met hem spelen en tegen hem praten of
liedjes voor hem kunnen zingen. Deze omarmingtherapie had echter weinig
effect gehad volgens moeder, behalve dat hij het heerlijk vond in de
huiskamer te zijn. Want het had geen zin tegen hem te praten, hij zei nooit
iets en hij leek ook niets te horen.
Ik raadde haar aan in elk geval zoveel mogelijk met hem bezig te zijn en
vooral ook alles te doen om hem te laten vermageren; dat zou hem veel
actiever maken en alles zou minder inspannend voor haar zijn.
Toen ik daarna weer bij hen kwam was zij hem aan het aankleden. Hij lag er
even slap bij als de eerste keer, alleen had hij zijn ogen nu open en hij
keek naar zijn moeder en naar mij. Ineens hoorde ik dat hij heel zachtjes
"Mummum" prevelde. Ik zei: "Kijk, hij zegt Mam tegen U, hij wil dat U wat
terug zegt". Eerst ontkende zij dat hij iets tegen haar zei, maar hij keek
haar aan en daarom herhaalde zij toch zijn 'Mum' en zei ook nog: "Ik
Mam".Toen straalde hij en lachte zelfs, met zijn schitterende blauwe ogen
misschien wel voor het eerst zo wijd open en hij zei nog een keer nu zelf
ook stralend! Zij hadden voor het eerst – in drie jaar - contact met elkaar!
Al gauw kwam er toen een primitieve dialoog op gang, die moeder sindsdien
enthousiast met hem onderhield. Ook vader en zusje praatten om beurten met
hem. Met het woordje "Krrit" vraagt deze grote baby nu om contact en
aandacht, b.v. zoals tijdens een gesprek van de aanwezigen, waarbij hij niet
betrokken werd. Toen zei hij weer “Krrit”, stralend lachend toen men hem ook
antwoordde met 'Krrit'.Gisteren hoorden wij via de babyfoon hoe hij boven,
niet roepend, maar meer nadenkend zei: 'Mamma , Mamma'. Later beneden, weer
terug bij Mamma op schoot, maakte hij levendige, uitnodigende gebaren tegen
vader van uit de verte en zei: 'Pa, Pa' ! Voor wegstaren heeft hij geen tijd
meer. Een maand later begroette hij me dadelijk met 'KRRIT' . Hij lag weer
plat op zijn rug, maar nu beneden, op het boxkleed, zonder de box er omheen,
op de grond. Hij wachtte tot hij weer op schoot kon, of op de bank kon komen
zitten, waar hij ontzettend geniet van het knuffel- en praatcontact met
moeder. Hij moet ten slotte jaren inhalen. Moeder trouwens ook. Motorisch
activeert zij hem echter helemaal niet. Als hij zich moet inspannen vindt
zij dat zielig voor hem! Daarom zocht ik situaties waarbij hij zijn handen
en armen 'van nature' wel moest gebruiken. Want bij het rechtop zitten op de
bank werd hij altijd met kussentjes van opzij gesteund. Ik zette hem echter
rechtop op de grond zonder rugge- of zijsteun en zei: 'nee, niet die handjes
in je mond! Die heb je nodig! Vooruit, hou je rug zelf rechtop, dat kan je
best'. Met zijn beide armen, een naast zich en de andere arm tussen zijn
benen steunend op de grond, zat hij toen stralend trots rechtop rond te
kijken. Hij merkte nu ook, dat wanneer hij een hand weghaalde - richting
mond -, hij dreigde om te vallen. Dus kwam die arm dan gauw terug. Moeder
vond het eerst zielig, maar was later ook trots toen hij het wel 5 minuten
lang volhield.
Coachen van de moeder is bij zo'n hypotoon, sloom kindje, heel erg
belangrijk. Zij moet leren hem te stimuleren. Zijn ontwikkelingspeil was
eerst dat van een baby van 3 maanden, nu zegt hij steeds meer woordjes.
Eens meldde hij zelfs een ‘grote’ te moeten, door met kracht "Hrrhum" te
zeggen, waarna hij, op de rand van de wc gehouden, dit ook meteen deed. Dat
is gedrag van een kind van op zijn minst een jaar oud. Maar daarna
waarschuwde hij niet meer, waarschijnlijk omdat men hem toen geprezen en
heel groot gevonden had en hij nog helemaal niet groot wilde zijn. Hij hield
zich daarom klein, waarbij hij soms uitdagend moeder aankeek. Aan zijn
apathische gedrag leek daardoor niets te veranderen, terwijl hij het soms
wel zou kunnen. Hij knarsetandt en bijt niet meer, tenzij hij het nódig
vindt. Eens, toen ik opbelde, lag moeder met griep in bed, met Steven naast
zich 'voor de gezelligheid.' Het werd weer een lang gesprek, omdat moeder
mij vrijwel dagelijks op de hoogte hield van de ontwikkelingen. Ineens zei
zij vol schrik: "Nu is hij weer aan het knarsetanden!”!! Ik zei: "Hij is
boos dat U zo lang met mij praat! Geef hem de telefoon maar eens". Hij, blij
lachend , door de telefoon:"Krrit, krrit!", waarna een heel gesprek met hem
volgde in babytaal. Maar dat ontwikkelde zich al gauw tot peutertaal: zijn
zusje stootte zich eens erg. Hij vroeg: "Pijne?" en zei daarna: "(k)usje!"
Hij zwaait nu altijd goedendag als iemand komt of gaat. Gezet voor de keus
TV kijken of eten, antwoordt hij: "Hap". Of: "Zit je zo lekker?" dan knikt
hij op en neer en zegt: "Ja".
Als wij zijn benen hoog optillen (terwijl hij plat op zijn rug ligt) en we
laten ze beurtelings neerploffen, giert hij het uit van het lachen. Nog
steeds zo liggend, probeert hij dan, vanuit de heupen zijn benen, een voor
een, zelf op te heffen, daarbij heel moeizaam kreunend van inspanning. Zijn
moeder vond dat weer zielig. In plaats van hem aan te sporen en vooral hem
te bewonderen als het gelukt is. Nu ze de vooruitgang ziet en ook hoeveel
plezier hij er in heeft, werkt zij steeds beter mee. Ze heeft hem zoveel
oefening gegund in het zelf rechtop (blijven) zitten, en daarna zelf gáán
zitten, dat hij een paar maanden later, vóór haar op de fiets mocht zitten
als moeder zusje achterop naar school ging brengen. Daarbij omklemde hij het
stuur stevig met zijn handen. Dit buiten rijden vond hij het
allerheerlijkste.
Daarna heb ik hem uit het oog verloren, want hij kon al gauw naar een
medisch kinderdagverblijf. Dat was heel wat beter dan een inrichting voor
autisten! In het midden latend of Steven werkelijk autist was: het zo vroeg
mogelijk Omarmingtherapie door de ouders laten toepassen, daarbij en daarna
begeleid door een hierop gespecialiseerde opvoedkundige, betekende een
verlossing voor dit vereenzaamde kind - en ook voor zijn moeder en vader-
uit een uitzichtloze verdere levensloop en verdriet voor de hele familie.
ELLY
Elly is een negenjarig meisje dat jarenlang als autist onbenaderbaar was.
Echter na een periode van intense Omarmingtherapie door haar ouders,
speciaal door haar vader, die veel ervaring opgedaan had met de Mother-child
Holdingtherapy van dr. Martha Welch, was zij ten slotte helemaal bevrijd van
haar autistische afwijzendheid. Zij begon steeds meer te praten, maar nog
wel op het niveau van een peuter.
Dus was zij nog autistisch volgens haar moeder, die niet begrepen had dat
haar dochter, die nu toch steeds al pratend contact met haar zocht, dit kon
doen, juist omdat zij van haar autisme verlost was en daardoor ook een
opgewekt, contactbereid lid van de familie geworden was. Daarom wilde zij
gauw en goed met hen leren praten. Daarom was Elly de hele dag bezig te
oefenen om op haar praatachterstanden in te lopen, door wat zij op school
gehoord had, heel vrolijk en tevreden doorlopend thuis hardop te herhalen.
Maar moeder had herhaaldelijk, en steeds geïrriteerder, gevraagd nu toch
eens te stoppen met alsmaar hetzelfde te zeggen. Elly herhaalde namelijk het
uitspreken van korte zinnetjes en van rijtjes namen, die ze op school vaak
gehoord had. Gelukkig kwam haar vader direct te hulp. Hij steunde haar, door
er aan mee te gaan doen. Hij maakte zelfs wijsjes op haar rijtjes namen. Aan
moeder en aan de hele familie legde hij uit, hoe groot het belang voor Elly
was thuis ongestoord te kunnen oefenen, conform het ontwikkelingsniveau
waarop zij op dat moment met spreken gekomen was.
Natuurlijk had zij nog steeds grote ontwikkelingsachterstanden, die altijd
erg opvallend zijn bij een al zo'n groot meisje. Maar de vele
peuter-en-kleuterachtige activiteiten die zij altijd nog vertoond had en
waarvoor de broertjes en zusjes zich vaak erg gegeneerd hadden, waren al
snel aan het verdwijnen. Zij ging nu naar een LOMschool en vond dat
heerlijk, ook al, omdat zij daar niet geplaagd werd maar, na uitleg van de
leerkracht, juist door de vriendjes geholpen werd om wegwijs te worden in
de wereld van de grote kinderen. Zij probeerde zoveel mogelijk te leren en
zoveel mogelijk mee te doen. Op sociaal niveau was zij al veel verder, veel
'ouder'. Haar oudere zus zei verrukt, dat haar zusje ineens zo leuk geworden
was. Dat ze niet 'raar' meer deed, dat ze uit zichzelf naar haar toe kwam om
samen te praten en zelfs grapjes begon te maken!
Vader nam haar elke avond nog even op schoot om bij-te-praten. Zo voelde
Elly zich gesteund en gewaardeerd en "emotioneel gevoed”. Zij bleef zich
steeds verder ontwikkelen. Meestal zijn het in aanleg intelligente kinderen
(en vaak heel mooie kinderen), die goed onthouden bleken te hebben wat zij
als zwijgzame autisten al stilletjes geobserveerd en gehoord hadden. Vandaar
dat zij vaak onverwacht b.v. met een complete zin gaan reageren, terwijl ze
nog nooit gesproken hebben.
We kunnen vooral de Tinbergens, John Allan, Zappella, Hideo Abe, Martha
Welch, Jirina Prekop, Damstee en de Do-It-Yourself-Mothers heel dankbaar
zijn voor de vele, dankzij hun toewijding en doorzettingsvermogen en door
hun publicaties,van hun autisme bevrijde kinderen. Hopelijk zullen ook door
ons, dankzij internetcommunicatie, meer autistjes door hun ouders te
bevrijden zijn, vooral jonge kinderen. Hoe jonger, des te beter de kinderen
op de omarmingtherapie en op “Intensief Koesteren” door hun ouders reageren.
In Nederland worden ouders van een autistisch kind vrijwel nooit van het
bestaan van deze succesvolle, natuurlijke, eigenlijk oeroude
omarmingstherapie op de hoogte gesteld. Het is daarom uitermate verheugend,
vooral voor de ouders van de jongste autistische kinderen, dat zij zich nu
via de nieuwe communicatiemiddelen zelf ervan op de hoogte kunnen stellen.
Zij kunnen nu zelf besluiten of zij het willen proberen, liefst onder
leiding van een holdingtherapeut(e), om hun kindje, dat hen blijft afwijzen,
van zijn onbenaderbaarheid en eenzaamheid te verlossen. Via bestaande
literatuur en via films en video’s kunnen zij zich er eerst wat mee
vertrouwd maken (klik hier voor literatuuropgave).
Het is erg belangrijk om autistisch gedrag zo vroeg mogelijk te onderkennen,
vooral al bij de baby, want dan kan het soms nog relatief eenvoudig door
moeder en/of vader verholpen worden, nu bekend is dat er een gevoelsmatige
therapie voor autistisch reagerende baby’s bestaat. Want hoe groter en
zwaarder en sterker het kind wordt, hoe moeizamer het voor de ouders is,deze
omarmingstherapie te blijven volhouden, terwijl dat juist zo positief werkt.
Een ongeruste moeder moet altijd serieus genomen worden! Het herkenbare
alarmsignaal.
Als een baby steeds van moeder wegkijkt, zelfs tijdens de (borst)voeding, of
zelfs het hoofdje geheel van haar afwendt, soms al kort na de geboorte, kan
dit wijzen op een beginnende blokkade in de ontwikkeling van de baby. Het
kan het leggen van contacten met alle mensen verhinderen. Er kan dan direct
na de geboorte zelfs geen warme symbiotische relatie met de moeder ontstaan.
Wanneer de moeder verzucht dat haar baby anders is dan zij verwacht had, dat
haar kindje niet op haar reageert, zelfs niet in haar ogen kijkt wanneer zij
het de borst gaat geven, dan vindt men haar – onterecht - overbezorgd. Maar
de moeder is terecht bezorgd! Tenslotte legt ze het haar afwijzende,
huilende kindje maar terug in de wieg. Daar is het meteen tevreden en stil.
Het huilt zelfs nooit van de honger, zodat je het bijna zou vergeten. Deze
moeder zou meteen voorlichting en begeleiding moeten krijgen bij de omgang
met haar afwijzende kindje, die zij helaas van medische zijde hierover
zelden krijgt.
Er moeten veel positieve gevoelens zijn geweest voor de baby om hem of haar
ineens een gemis te kunnen laten voelen: het heeft genoten van het zuigend
drinken en het verzadigende gevoel daarbij, de stem van de moeder en het
gekoesterd worden door haar strelende handen, de glans en de kleur van haar
ogen en vooral de erdoor overgebrachte emoties.
Het gemis van moeders aandacht in het kwartiertje, of liefst halve uurtje
(!) na de voedingen, het zonder meer teruggelegd worden in de wieg, soms
terwijl moeder nog doorpraat tegen- of ook wegkijkt naar iemand anders of
iets anders geeft een grote gevoelsverwarring, vooral onzekere en angstige
en verdrietige gevoelens, bij elke baby. Voordat de baby zich van haar
wegdraait, raakt de baby in een soort tweestrijd, een motivational conflict
(Tinbergen) over enerzijds graag bij haar willen drinken en bij haar willen
zijn en anderzijds de pijnlijke verstoring van deze positieve gevoelens door
het plotselinge gebrek aan belangstelling en dus gebrek aan warmte bij de
moeder (door ziekte, werk of Tv-kijken e.d.).
Baby gaat zich van moeder afwenden omdat de tijdens- en na het drinken
onbeantwoorde pogingen tot contact te moeilijk zijn en te onverdraaglijk
worden om naar haar te blijven kijken. Wat zij haar baby aandoet kan zo’n
moeder niet meevoelen. Zij begrijpt niet waarom baby steeds slaperiger en
trager wordt en haar niet meer wil aankijken en zelfs onder het drinken
blijft wegkijken of de oogjes dicht houdt. Ze beseft niet, dat zij telkens
ongeïnteresseerder was, hem niet meer aankeek en niet meer tegen hem sprak
tijdens het voeden. En dat dit voor haar kindje te onverdraaglijk en te
pijnlijk werd om langer te doorstaan. Want hij wil juist wél contact met
haar, al kan hij nog niet praten en haar roepen, behalve door te gaan
huilen. Een baby heeft dus wel degelijk gevoelens! Blije en verdrietige!
Er zijn allerlei beangstigende situaties voor de baby die wij zouden moeten
kennen om ze te kunnen vermijden. Er zijn voor de baby zoveel door ons
ongerealiseerde verschrikkingen rondom en vooral ook na de geboorte (en
waarschijnlijk ook vóór de geboorte) die de baby moet doorstaan en die wij
vanzelfsprekend accepteren, maar waar wel enorm veel koestering door de
moeder tegenover moet staan wil de baby zich een beetje veilig gaan voelen.
De moeder heeft de mogelijkheid – en de opdracht - haar baby’tje te
beschermen tegen verstoringen van hun zo belangrijke symbiotische band.
De invloed van de geboorte op de emotionele ontwikkeling va het
kind
Direct na alle schokkende ervaringen tijdens en vlak na zijn geboorte, niet
meer strak omsloten in moeder ’s lichaam, maar "open en bloot" te midden van
vaak fel licht en allerlei harde geluiden, komt de pasgeborene pas weer tot
rust als moeder hem in haar armen neemt en hem even laat drinken, waarbij
zij elkaar meestal meteen al strak in de ogen kijken. Dan wordt de basis van
hun moeder-kind relatie, hun symbiose, voor het leven, gelegd!
Het is dan ook onvergeeflijk en het getuigt van een compleet gemis aan
inlevingsvermogen, als er na de verlossing niet vanzelfsprekend tijd gegund
wordt voor wat nu BONDING van moeder en kind genoemd wordt. De baby is
geboren, een beetje afgeveegd en op de nu lege buik van de moeder gelegd.
Hel licht moet worden gedimd en er zou geen lawaai meer gemaakt moeten
worden, maar alleen heel zachtjes gepraat. Via de nog steeds kloppende
navelstreng krijgt de baby van nature nu extra voedzaam, adrenalinerijk
bloed, om, soms bijna een uur lang, extra energie te hebben om wakker te
blijven in moeder ’s armen, om elkaar te verkennen en zo de basis voor een
sterke band met moeder en ook met vader te leggen, vooral via hun ogen, via
hun stem en vooral via het lichaamscontact. De moeder moet nu ongestoord het
lijfje van haar kindje kunnen bewonderen en het van top tot teen kunnen
voelen. Moeders blijken dit allemaal in dezelfde volgorde te doen! Hiertoe
zou altijd gelegenheid moeten worden gegeven!
Intussen benut de baby deze minuten om, terwijl de nog kloppende navelstreng
zijn zuurstofvoorziening op peil houdt, voorzichtig, met heel kleine beetjes
tegelijk, onze scherpe, meestal te droge lucht eerst in zijn mondje, keel en
luchtpijp en dan in zijn longen toe te laten. Steeds een beetje meer, totdat
hij, zonder pijn, door rustig zelf te gaan ADEMHALEN, de zuurstofvoorziening
voor zijn verdere leven zelf kan regelen. Dit alles zonder het uit te
schreeuwen van de pijn, zoals soms nog door ondeskundigheid van medici,
verloskundigen en kraamverzorgsters veroorzaakt wordt, door de navelstreng
direct na de geboorte al door te knippen. Dan wordt plotseling, door hevige
benauwdheid, diep ademhalen noodzakelijk, hetgeen hevige, branderige pijn
veroorzaakt in de nog geheel ongebruikte luchtwegen van een pasgeborene. Het
als speciale gunst te vroeg laten afknippen van de navelstreng door de
vader, laat ook hem hevig schrikken, omdat hij niet begrijpt waarom zijn
kindje zo heftig gaat huilen.
Niet meer opgepept door het met extra adrenaline versterkte, laatste
moederlijke bloed, is de baby nu gauw slaperig. Wat door de natuur bijna als
een plechtig, vredig eerste contact van moeder en vader met hun pasgeboren
kindje bedoeld was, is zo onmogelijk gemaakt.
Indien daarna vlot wordt doorgewerkt; moeder mag het aangeklede kindje maar
even vasthouden alvorens het "rustig" in de wieg wordt gelegd. Zo gaan
kostbare minuten van intens contact tussen moeder, vader en hun pasgeboren
kind verloren. En deze minuten kunnen de basis vormen voor een emotioneel
weerbaarder leven later.
Het is daarom het extra vermelden waard dat in sommige kraamklinieken
tegenwoordig volgens de regels van de natuur gewerkt wordt: daar wordt met
het afknippen gewacht tot de navelstreng helemaal slap en dus leeg geworden
is!!
Moeder ’s beide ogen zijn het middelpunt, de kern van het leven van een
baby, misschien meer nog dan haar borsten met haar voedende melk, vooral
omdat het kindje bij het drinken vrijwel onafgebroken en ongestoord in
moeder ’s beide ogen kan kijken: de belangrijkste nieuwe ervaring na de
geboorte!
Wanneer kort na de geboorte de ogen van moeder en kind meteen rustig de kans
krijgen elkaar te vinden en in elkaar op te gaan, ontstaat er tussen beiden
een emotionele band, die van nature bedoeld is om de baby te stimuleren, om
in wisselwerking met de moeder, de opeenvolgende ontwikkelingsfasen in zijn
leven voorspoedig te doorlopen. Alleen dan kan de baby de in hem nog
verborgen kwaliteiten voorspoedig gaan ontplooien. Hun intense ogencontact
zodra zij bij elkaar zijn, staat daarbij centraal. Het betekent dat de baby
zich veilig kan voelen en zich helemaal aan haar kan toevertrouwen en
daardoor ook met vader en andere mensen contact durft te leggen. Al
opgroeiend neemt het kindje hen dan spontaan als voorbeeld en gaat hen
steeds imiteren. Een warm ogencontact met de moeder en van haar uit met alle
(aardige) mensen, legt een onmisbare solide levensbasis voor een baby.
Overal volgt de baby haar met de ogen. En wacht op haar ogen door naar de
deur te staren waarachter zij verdween.
Als aan de baby, na deze eerste dagen met het intense eerste contact met de
ogen van de moeder, hem deze ogen telkens weer ontnomen worden, tijdens haar
gesprekjes met de familie, kraamhulp en vriendinnen en misschien door de Tv,
ziekte of andere omstandigheden van de moeder, dan kan dit een grote
negatieve invloed op de verdere ontwikkeling van de baby hebben. Dat de ogen
van de vervangster niet de ogen van de moeder zijn, vreemd zijn, dus
beangstigend, dringt METEEN tot de baby door, want hij kan verschillen
(Spitz) al meteen registreren. Hij merkt dat hij niet bij zijn moeder is,
maar bij een onbekende. Wanneer echter zijn moeder later terugkomt kan hij
zich haar ogen nog niet herinneren, want zijn geheugen kan dat pas na 5 of 6
maanden. Tot dan ziet hij een conglomeraat van ogen van verzorgsters voor
zich, “allemaal beangstigende vreemden voor hem” want de ogen van zijn echte
moeder kan hij nog niet selecteren, terwijl de symbiotische band daarop
gebaseerd was. De band die nu verstoord is, kan binnenkort verbroken zijn.
Tot onze verbazing door het nieuwe kindje zelf! En heel volhardend! Alleen
na een herstel van het vertrouwde lichaamscontact en vooral met de stem van
de eigen, vertrouwde “symbiotische” moeder en vooral met holding,
bemoederend, lang, dicht tegen haar aan koesterend, kan de schade (het
verdriet) misschien weer ongedaan gemaakt worden en kan een verbroken
symbiose hopelijk voorkomen worden. Daarom moet getracht worden die band,
zodra het wegkijken van de baby opgemerkt wordt, meteen geheel te herstellen
om geen langdurige of blijvende schade te veroorzaken, zoals die schade de
laatste jaren aan duizenden kleine autistjes toegebracht is. Hierbij is van
zeer groot belang dat de moeder het kind niet in de oogjes kijkt; dát moet
van het kind zelf uitgaan!
Ogencontact
Men spreekt meestal van "oogcontact", maar het moet zijn: "ogencontact", het
contact met elkaars beide ogen, dat wil zeggen: met moeder ’s gezicht "en
face". Van opzij zien we in haar profiel namelijk maar één oog en dat is
beangstigend voor een baby, ontdekte Spitz. (l965-1967) Teveel
angstgevoelens zijn voor een baby een bekende reden wég te gaan kijken, zich
af te draaien van moeder en als er iets onverdraaglijk is (en blijft) zich
in zichzelf terug te trekken, om zich tenslotte stilletjes geheel af te
sluiten en zich in autisme terug te trekken. Verwekken van angst moet dus
per se vermeden worden. En men moet proberen een toch opgewekte angst zo
gauw mogelijk ongedaan te maken wanneer beangstigende situaties niet te
ontwijken zijn.
Wij nemen vaak ongeweten veel risico’s bij onze omgang met onze baby’s. Nog
steeds is bij de meeste moeders onvoldoende bekend hoe kwetsbaar dat
voorspoedige verloop van vooral de emotionele groei van onze baby is, hoe
ongemerkt en makkelijk het ineens gedaan kan zijn met die eerste lieve
gebaartjes en baby’s positieve geluidjes als reactie op onze liefkozingen en
woordjes. Als moeders ogen een paar dagen, een dag,of dikwijls zelfs maar
een paar uur vervangen worden door vreemde, anders gekleurde ogen, lijkt het
voor de baby dat zijn of haar moeder helemaal verdwenen is. Daarbij is de
symbiose met de ware, eigen moeder verstoord, wat blijkt uit het hardnekkig
gaan wegkijken van moeder als zij terug komt. Wanneer zij niet meteen het
kindje tegen zich aanhoudt en er geruststellend tegen praat en het weer haar
volle aandacht geeft, het vertrouwen herstelt, kan het contact verbroken
blijven. Dat is het moment dat een moeder zich ongerust gaat maken, want
haar kindje kijkt ineens steeds van haar weg, zodat zij bv. de fles van
opzij moet geven. Baby wil niet eens meer graag drinken, gaat al huilen als
hij uit de wieg wordt gehaald en wordt pas rustig als hij door moeder daar
weer in wordt teruggelegd. Zij zou dan moeten trachten het kindje te
activeren, hetgeen haar echter meestal niet eens aangeraden wordt. Laat
haar/hem maar lekker slapen zeggen ze dan.
Aan de hand van voorbeelden (klik hier voor de verslagen over Keesje,
Petertje, Victor en Francientje en Theo) en de ervaringen met vele andere
baby’s, peuters en kleuters, weten we nu dat autisme kan ontstaan als een
baby moederlijke liefde, zorg een aandacht moet ontberen wat het kind het
gevoel kan geven dat het in de steek gelaten wordt. Genezing is nog mogelijk
wanneer de moeder zich geheel inzet om haar kind weer voor zich te winnen
door het, ondanks zijn hevige verzet, net zo lang op haar schoot stevig
omarmd tegen zich aan te houden, ook ’s nachts, het zonodig weer
(fles)voeding te geven en hem bezorgd en liefderijk toe te spreken, tot haar
kind zijn verdrietige boze verzet opgeeft. Het gaat haar weer aankijken,
zich weer tegen haar aanvlijen, wil nu niet meer bij haar weg en keert zich
niet meer van haar af maar volgt haar weer met zijn ogen. Dit alles dus
uitsluitend op emotionele gronden tijdens het elkaar in de ogen kijken.
KEESJE
Keesjes vader was kaashandelaar. Met zijn bedrijfsauto ging hij langs de
huizen van zijn klanten in het dorp. Op de bank naast hem lag altijd zijn 8
maanden -oude zoontje, totaal bewegingloos. Nog steeds reageerde deze grote
baby nergens op, ook niet op mensen. Het leek wel of hij hen niet zag. Zijn
moeder was ernstig psychisch gestoord en verwaarloosde hem zo overduidelijk
en gedroeg zich zo vijandig tegen hem, dat vader hem nooit alleen bij haar
achterliet. Zolang Keesje zo rustig was en nauwelijks bewoog, kon het nog
wel een poosje zo. Onderweg was er altijd wel een vriendelijke huisvrouw die
zijn flesje opwarmde en hem verschoonde. Maar binnenkort zou Keesje wel naar
een kindertehuis moeten, misschien wel naar een inrichting, want hij was
minstens 4 maanden achter t.o.v. zijn leeftijd.
Onder vaders klanten was een kinderloos echtpaar dat al een jongetje
aangenomen had. Zij leefden erg mee met de zorgen van de vader over zijn
geesteszieke vrouw die gevaarlijk was voor haar kind en zij dachten met hem
mee over de toekomst van Keesje. Deze moeder had haar pleegzoontje gekregen
toen hij al baby-af was en ze genoot zichtbaar van het bemoederen van Keesje
-in de auto- omdat hij nog helemaal hulpeloos als een baby reageerde. Zij
zag wel dat hij veel te weinig reageerde, maar geloofde dat hij vast wel zou
opleven als hij liefdevol verzorgd zou worden. Zij zou dolgraag die
moederrol op zich willen nemen en daarmee bovendien Keesje van die autobank
verlossen en de vader van zijn zorgen, niet alleen over zijn vrouw, maar
vooral over de inrichting die in het verschiet lag .Dit kon gelukkig gauw
geregeld worden.
Zo werd Keesje tot het 2de pleegzoontje van deze hartelijke familie.
Toen begon echter een zeer moeilijke, zware periode, vooral voor de
pleegmoeder. Zij gaf hem alle denkbare zorg en liefde, in de verwachting dat
het kindje er bij zou opbloeien. Vooral de nachten waren een grote zorg,
want Keesje kon niet in slaap komen en werd ook weer telkens wakker en
huilde dan ontroostbaar, waarbij hij helemaal niet op haar reageerde. Alleen
met zijn oude, kale beertje tegen zijn wang gedrukt kalmeerde hij dan
geleidelijk en viel zo in slaap. Elke nacht weer droeg zij het doodsbange,
wanhopig huilende kindje door de kamer heen en weer, probeerde hem op schoot
te kalmeren door tegen hem te praten en liedjes voor hem te zingen, want
aldoor met hem rondlopen werd haar te zwaar. Door haar goede zorgen was hij
flink gegroeid al ging hij nog steeds niet zitten. Zelfs tot zich omrollen
kwam hij niet.
Maandenlang hield zij dit vol, steeds in de hoop dat er een doorbraak zou
komen en dat hij niet diep achterlijk zou blijken te zijn, maar soms was zij
in tranen, want dan leek het ook haar hopeloos; bovendien voelde zij dat zij
het lichamelijk niet veel langer op zou kunnen brengen. Niet alleen haar man
en de huisdokter, maar zelfs Keesjes vader adviseerden haar het maar op te
geven, vooral omdat er nu in de inrichting plaats voor hem was. Maar dat kon
ze hem niet aandoen, hoewel zij moest toegeven dat het voor Keesje
waarschijnlijk niets zou uitmaken, want het enige wat hij nu deed was zijn
beertje vasthouden en huilen om gedragen te worden. Dat deed hij bij vader
in de auto nooit. Zou het betekenen dat hij toch wel i e t s kon voelen? In
elk geval hield ze nog vol. Tot hij op een nacht zijn beertje op de grond
gooide, zijn armpjes om zijn (pleeg) moeders hals sloeg en zijn wangetje
tegen haar wang vlijde!
Vanaf die nacht bloeide hij op en gedroeg hij zich als een tevreden baby,
want hij was natuurlijk maanden achter geraakt. Maar hij haalde zijn
achterstanden stuk voor stuk snel in. Al gauw had zijn pleegmoeder geen
echte baby meer aan hem.Met twee jaar zat hij te spelen in de box en met
drie jaar zag ik hoe hij vlot kon kruipen, probeerde te gaan staan en zijn
pleegmoeder 'Mum' noemde en met 'uit' aangaf dat hij graag uit de box wilde,
waarna zij hem met een stralende lach optilde.
Kan een psychisch gestoorde, verwaarlozende moeder een baby tot autist
maken?
En kan een moederlijke moeder dit ongedaan maken?
PETERTJE
Petertje was, na 4 weken op de babyafdeling, waarvan eerst enige tijd in de
couveuse, eindelijk thuis gekomen. Al gauw kon zijn moeder haar
teleurstelling niet verbergen: wat zij ook probeerde, baby reageerde
helemaal niet op haar. Hij begon zelfs te huilen als ze hem uit zijn wieg
nam, wilde alleen drinken als zij de fles van opzij aanbood, want hij
draaide zijn hoofdje steeds weg van haar. Al gauw gaf moeder haar pogingen
om enig contact met Petertje te krijgen op en liet hem, na de verzorging,
met rust. In de wieg huilde hij vrijwel nooit.
Zijn vader was echter wel heel blij met zijn eerste kind, al reageerde het
helemaal niet, (nóg niet, hoopte hij). Na zijn werk nam hij zijn zoon dan
ook altijd direct uit de wieg, wiegde hem in zijn armen, hield hem steeds op
schoot, of tegen zijn schouder en hij praatte ook veel tegen zijn baby.
Vooral als hij met Petertje in zijn armen stilstond of zat, maakte vader met
hem continu die typisch moederlijke korte, snelle, wip beweginkjes, heel
snel op en neer, die vader als kind vast zelf ook gevoeld had en die hij
door moeder en oma altijd heel vanzelfsprekend had zien maken terwijl zij
liepen of zaten met een baby in hun armen. Hij was zelf de oudste, dus hij
had dikwijls een broertje of zusje zien bemoederen.
Na een week of vier begon Petertje geluidjes te maken als vader tegen hem
praatte. Dan keek hij naar vader‘s gezicht, maar nog niet in vader’s ogen.
Hij begon wel steeds meer te bewegen. Op zijn moeder reageerde hij echter
nog steeds niet en zij daardoor ook niet op hem. Tot zij zag hoe hij bij
vader in actie kwam. Toen kreeg zij ook een beetje plezier in haar zoontje
en begon vader na te doen, geleidelijk ook met en beetje succes. Peter
begon haar nu in elk geval op te merken.
In dit stadium verloor ik hen uit het oog, omdat ik een half jaar voor mijn
pasgeboren achterkleinzoon in USA mocht gaan zorgen.
Pas bijna een jaar later belde ik hen weer op. Toen vader opnam informeerde
ik heel gespannen hoe het nu met zijn zoon ging. Vader klonk heel verbaasd:
"Hoezo met mijn zoon? Goed natuurlijk!" Ik:: "Maar Petertje reageerde immers
toen hij thuisgekomen was toch helemaal niet. Hoe is het nu met hem?" Vader:
"Nou, gewoon, goed" Ik: "Maar dat is helemaal niet zo gewoon Wat heeft U met
hem gedaan.?" Vader: "Nou, eigenlijks niks, ik heb gewoon met hem gesold."
Petertje, toen 1 1/2 jaar oud, bleek(gewoon) vlot te kunnen kruipen, te
kunnen staan, langs de boxrand te lopen, had veel belangstelling voor alles
om zich heen en vooral voor vader, maar nu toch ook wel voor moeder, die nu
ook echt plezier in hem had gekregen en veel met hem bezig was. Hij wilde nu
ook graag bij haar op schoot zitten. Een mogelijke verder-ontwikkeling van
het autistiforme gedrag van Petertje was door zijn vader bezworen!!
Het gaat bij deze therapie dus niet alleen om het dicht tegen je aan
langdurig omarmd houden van je baby, maar nog meer om continu het kindje in
beweging te houden, er mee te stoeien, te zingen en te praten, dat brengt
een autistiform reagerende baby tot leven, tot met-ons-mee-reageren. John
Allan noemt hen, minder bedreigend, 'Difficult Babies' en onderscheidt drie
types autisten. Men wilde echter zijn publicaties over dit onderwerp niet
publiceren, men vond het niet van wetenschappelijk belang. Het werd in
Canada slechts als blaadje voor de opleiding tot Hoofdverpleegster gedrukt.
In Japan werd, in het instituut voor Autisme van Dr. Hideo Abe, veel werk
van Allan voor de opleiding van Holdingtherapeuten vertaald. Zo ging het ook
met de eerste publicatie van Martha Welch Pas via de opname ervan in
Tinbergen's boek "Autistic Children" new hope for a cure hebben wij in
Nederland in 1984 ervan gehoord.
VICTOR vergeleken met FRANCIENTJE
VICTOR vergeleken met Francientje uit ' Autisme:Verbroken
Symbiose'.(St-V.1984)
Victor was na zijn geboorte (in een kraamkliniek) van medische zijde tot een
gezonde baby verklaard. Omdat zijn moeder na de bevalling door pijnstillende
middelen lang versuft bleef, was er van een warm, blij, intens eerste
ogencontact met haar zoontje en van even borstvoeden direct na de geboorte,
niets gekomen. Later was het bij het eerste aanleggen ook niet tot een
bevredigende borstvoedingsrelatie met moeder gekomen doordat de baby, door
de strakgespannen, volle borst, de tepel niet kon grijpen. Hij werd
ongeduldig, zodat hij, net als bij Francientje, in een onbeholpen poging van
de kraamverplegende hem te helpen, te stevig tegen de tepel gedrukt werd,
zodat hij het een paar keer benauwd kreeg omdat neusje en mondje
tegelijkertijd werden dichtgedrukt, waarna hij zich, boos huilend, van de
borst was blijven afwenden. Daarom kreeg hij al gauw de fles van moeder en
ook van verschillende kraamverzorgsters. Toen moeder hem na thuiskomst
helemaal zelf ging verzorgen werd zij al meteen geconfronteerd met zijn
hardnekkige van - haar - wegkijken en zijn-hoofdje-van-haar-afdraaien. Wat
moeder, vader of oma ook probeerden, hij bleef hen negeren en leek hen niet
te zien of te horen. Hij maakte geen geluidjes. Hij zou het liefst aldoor
in zijn wieg blijven. Wanneer hij eruit gehaald werd begon hij te huilen,
maar werd meteen stil als hij weer er in werd teruggelegd. Hij ging ook
nooit huilen van de honger "zodat je hem bijna vergeten zou".
Dit zelfde beeld vertoonde de eerst zo toeschietelijke,vrolijke baby
Francientje ineens, gedurende de tien dagen dat zij zich, 4 weken oud,
plotseling in zich zelf begon terug te trekken en niet meer op haar moeder
reageerde en haar niet meer wilde aankijken. Dat gebeurde nadat ze een paar
keer van een tante de fles gekregen had, waarbij zij zich, angstig geworden
voor haar vreemde ogen, zover afgewend had, dat de fles a.h.w. van opzij
aangeboden moest worden; gebeurde dit dan dronk zij wel. Maar daarna kon zij
Moeder aan diens ogen niet meer herkennen. Een baby kan op die jonge
leeftijd wel al 'verschillen' onderscheiden en daarop reageren, maar nog
niets onthouden. Dus waren moeders ogen "vreemd" geworden en gebleven. Als
moeder haar niet had leren terugwinnen via Tinbergen's adviezen, zou zij
dan, zonder met moeder en haar familie te kunnen communiceren, eenzaam
voortvegeterend, net als Victor tot autist verkommerd zijn?
Francientje's moeder had het geluk dat wij juist in die periode, in verband
met het lezen over autisme, in contact gekomen waren met de Tinbergens en
gesprekken hadden over het belang van de aard van het ogencontact tussen
mensen en dieren onderling. Hij vertelde over zijn ervaringen met angst-
voor -vreemde -ogen, zowel bij jonge dieren als bij vooral jonge
mensenkinderen en hoe de moeder kan proberen deze angst op te lossen : zij
moet haar kindje dagenlang heel veel en intensief in haar armen tegen zich
aan koesteren, er veel tegen praten, er voor zingen en neuriën, het liefst
ook weer borstvoeding geven of de fles, in diezelfde houding tegen haar
ontblote borst. Zij moet haar kindje ook 's nachts bij zich houden, echter
al die tijd vooral niet proberen haar rechtstreeks in de oogjes te kijken,
tot het kind de moeder zelf in de ogen gaat kijken. Dan kan de baby moeders
ogen rustig bekijken en er weer vertrouwd mee raken, waarna ze uit zichzelf
weer ogencontact gaat zoeken en weer diep in moeders ogen kan kijken zonder
bang te worden. Een belangrijke tip is ook, dat de moeder vermijden moet dat
de baby haar profiel kan bekijken, omdat een zo jonge baby bang is voor een
gezicht-van-opzij, met maar één oog (bekend door onderzoeken van Spitz).
Langs deze weg, door Tinbergen's raad, gecombineerd met de omarmingtherapie,
werd Francientje binnen een week geheel door haar moeder teruggewonnen. In
die twee 'eenzame' weken had zij geen merkbare achterstanden opgelopen,
hoogstens dat ze pas met 7 weken ging lachen, waarschijnlijk wat later dan
te verwachten was van zo'n pienter baby-tje.
Victor's moeder kreeg echter helemaal geen hulp, hoewel zij herhaaldelijk
raad vroeg. Artsen en verpleging stelden haar telkens gerust en zeiden dat
zij overbezorgd was.
De ouders kwamen toen tot de conclusie dat Victor blijkbaar eenzelvig van
aard was en lieten hun baby met rust. Zo groeide hij op tot een lichamelijk
gezonde peuter, maar met vreemde babygewoontes. Hij bleef vast voedsel
weigeren, want hij leerde niet kauwen, hij bleef steeds kwijlen en werd ook
niet zindelijk. Hij werd boos en ten slotte driftig als er iets "anders dan
anders" was, want alles moest altijd hetzelfde blijven, pas dan voelde hij
zich prettig. Hij maakte geen geluidjes.
Hij speelde nooit, maar was altijd bezig alles wat "los" lag ver van zich af
te slingeren en hij werd boos en driftig als hij daarin gehinderd werd omdat
hij er soms zijn medemensen mee verwondde.
Hij kon urenlang in een licht staren of naar de bewegingen die hij met zijn
vingers voor zijn ogen maakte. Of naar bandjes of touwtjes, die hij liet
dansen. Ook kon hij eindeloos met een lapje zachte stof of met een sjaal
langs zijn wangen strelen. Doordat hij slecht kon slapen werd de nachtrust
van zijn ouders vaak verstoord door wat hij dan ging uitspoken.
Zijn ouders en zijn oma, die elke morgen voor hem zorgde terwijl zijn moeder
een paar uur ging werken, moesten machteloos toe zien hoe hij met 2 1/2 jaar
nog steeds op babyniveau bleef voort vegeteren, schijnbaar zonder hen te
zien of te horen. Hij leek wel door hen heen te kijken. Hij schoof het
liefst, nog steeds zittend, zijdelings vooruit over de vloer, al kon hij ook
kruipen. Wel probeerde hij toen soms al te gaan staan. Hij sprak geen woord,
behalve "kaak", wanneer hij de koektrommel zag. Dat kaakje werd dan
opgesabbeld, omdat hij nog steeds niet kon kauwen Alleen pap en tot dunne
puree gemaakt warm eten kon hij verwerken, liefst nog uit een fles met een
vergroot gat in de speen. Hij kwijlde nog steeds en was ook nog onzindelijk.
Officieel tot autist verklaard: zo was Victor's toestand toen hij, 2 1/2
jaar oud, door een psychiater en een neuroloog van een kinderziekenhuis tot
autist verklaard werd. Daarbij werd aan de ouders duidelijk gemaakt dat zij
rekening moesten houden met een mogelijke opname in een inrichting
later.Tevens werd toen een korte opname gepland voor de toen steeds
gebruikelijker wordende medische en vooral neurologische onderzoeken bij
deze patiëntjes, in de hoop lichamelijke symptomen als verklaring voor hun
autisme te zullen vinden. Bij Victor lieten de ouders het niet tot dit
onderzoek komen, omdat kinderen daarna dikwijls ernstig psychisch gestoord
thuiskomen.
Op een dag probeerde oma iets nieuws. Zij verzon iets om Victor aan haar
ogen te laten wennen Zij zette hem wat hoger, bovenop de tafel neer, zodat
zij hem elke hap pap nu op hun beider ooghoogte kon voeren. Zo moest Victor
bij het horizontaal naderen van de lepel altijd noodgedwongen even uitkijken
om de lepel niet te missen, waarbij hij onvermijdelijk telkens even een
glimp te zien kreeg van oma's ogen achter de lepel! Zij probeerde dan niet
indringend, maar "vluchtig" te kijken en ook niet verrukt te reageren. Via
de vele gevoerde lepels pap, al gauw ook aangeboden door zijn ouders, was
hij binnen een paar dagen niet bang meer voor hun ogen, al zocht hij ze
niet, want hij wilde nog steeds met helemaal niemand contact maken. Er
veranderde dus verder maar bedroevend weinig.
Voor Victor verliep alles echter totaal anders dan zij ooit hadden durven
verwachten.
Dankzij de media hoorde moeder namelijk over het International Symposium
Holdingtherapy (of Volhardend Intensief Koesteren) ter genezing van
autistische kinderen. (zie 'Geschiedenis'). Dit werd te Utrecht Dec.1984
gestart door prof. Damstee, hoogleraar Foniatrie en zijn staf. Voor een
volle collegezaal hielden Martha Welch en Jirina Prekop - allebei ervaren
Omarmingtherapeuten van het eerste uur - een voordracht over hun succesvolle
werk in USA en Duitsland. Tijdens de Workshop de dag erna lieten ook de
ouders van Victor, net als verschillende andere ouderparen, zich door hen
persoonlijk informeren over de te volgen methode. Zij besloten met Victor er
aan mee te doen.
De Workshop na het Symposium:
Begeleid door Martha Welch paste de moeder van Victor, samen met haar man,
het ononderbroken omarmen toe op haar eerst woedende, luidkeels schreeuwende
en tegenstribbelende zoontje. Maar zij hielden het vol! Dat is het
moeilijkste! Het nam meer dan een uur in beslag voordat hij, zoals het dan
meestal gebeurt, ten slotte machteloos huilend even in slaap viel op haar
schoot, om even later 'herboren', heel verbaasd, maar zichtbaar ontspannen
en tevreden, wakker te worden en - voor het eerst, en nu graag, nog steeds
op schoot, tegen haar aan te blijven leunen en toen eerst haar en daarna
vader - heel ernstig -.lang aan te kijken! Sindsdien wilde hij aldoor bij
hen zijn en zocht hij steeds uit zichzelf ogencontact met hen.
Door het lezen van b.v. "Verbroken Stilte”, Engels: "Son Rise" van Kaufman,
zouden de ouders van Victor zich beter voorbereid gevoeld hebben op het
positief willen begeleiden van Victor. Dan hadden zij minder zorgen en nog
veel eerder dit succes gehad met hun zoon. Vader erkende, niet erg positief
gereageerd te hebben, uit angst weer teleurgesteld te zullen worden:
Victor begon zich daarna snel te ontwikkelen, ging meer praten en spelen met
het speelgoed thuis dat hij nog nooit had aangeraakt. In een half jaar
haalde hij meer dan een heel jaar in. Zijn babyactiviteiten verdwenen al
veel eerder. Hij at al gauw gewoon mee, omdat hij vrijwel direct al niet
meer kwijlde en ging kauwen. Hij ging hen bij van alles imiteren. Hij zág
hen nu eigenlijk pas voor het eerst. Vroeger was iedereen immers 'lucht'
voor hem.
Toch was het goed dat ik regelmatig, uit mezelf, bleef komen, want deze
ouders bleken zo gedemoraliseerd door alle vroegere ellende met hun kind,
dat ze niet konden geloven dat hij echt bevrijd was en nu, op de normaliter
bij zijn leeftijd passende ontwikkelingsstadia, zou gaan inlopen, mits zij
hem daarbij warmte en waardering gaven. Tot mijn verbazing gaven ze dat
goede groeiklimaat niet altijd. Ze bleken zich te hebben voorgesteld dat hun
kind, na de therapie, vanzelf op het bij hem behorende ontwikkelingsniveau
zou opbloeien. Daarom reageerden ze teleurgesteld, niet alleen tegen mij,
maar ook tegen hun kind. Vader had zich b.v. op straat erg gegeneerd omdat
Victor eerst nog als een peuter, een beetje wijdbeens en op een drafje, op
zijn tenen liep! Hij had erg geleden onder het autisme van zijn zoon. Na
uitleg dat hij met zijn terughoudendheid de spontane ontwikkeling van Victor
had afgeremd, zette hij zich onmiddellijk heel positief in, wat direct een
stimulerend effect had.
Op een avond zei Victor tegen vader, die alleen voor de TV zat: "Ik wil ook
kijken!" en ging naast hem zitten. Dus een complete zin, met de Ik-vorm en
een Werkwoord!
Victor zocht nu ook intensief contact met zijn vader en bleek toen meteen
gesprekjes te kunnen voeren. Hier blijkt weer uit hoe groot de invloed is
van de instelling van de ouders op de ontwikkeling van hun (autistische)
kind. En hoe hun kind in stilte bezig is, zelf zijn taalgebruik verder te
ontplooien, zonder daar iets van te laten merken!
Je moet zulke getraumatiseerde ouders een minicursus ontwikkelingsinzichten
geven, maar hen tegelijk niet verlegen maken over de vertraging die, zoals
ze dan ineens gaan beseffen, zij zelf bij hun herwonnen, kostbare kind
kunnen veroorzaken.
Moeder was juist heel blij met het feit dat Victor haar nu voor het eerst,
zoals een baby, telkens onder het lopen vastpakte, terwijl hij haar, ook als
een peuter, overal achterna liep, omdat hij steeds dicht bij haar wilde
zijn. Soms ging hij zelfs huilen als zij 's morgens naar haar werk wilde
gaan, wat hij 'vroeger' nauwelijks opmerkte. "Dat vond ik zo naar, want het
was vroeger net of hij mij niet nodig had!" (Was dat ook niet zo? Mist een
autistisch kind die ouders, van wie het nooit notitie neemt?) Nu miste hij
hen wel!.'s Avonds wachtte hij vader op, in de gang, staande voor de
raampjes naast de voordeur!
In de zomer waren zij naar een huurhuisje aan de kust in België geweest. In
de auto, aan het strand en op de boulevard, was hij aldoor heel gezellig en
gehoorzaam geweest. Alleen toen ze, na die week op het punt stonden terug te
rijden, was hij verdwenen. Zij vonden hem op de bovenste verdieping, waar
hij, van kamer na kamer, bezig was afscheid te nemen, waarbij hij ook naar
de zee keek en dag zei. Ook huiskamer en keuken zei hij goeiendag en ging
toen langzaam en stil mee naar de auto, mee naar huis.
Wij vermoedden, dat hij zich in die week uitzonderlijk gelukkig gevoeld had,
omdat hij nog nooit zo'n lange tijd achtereen, aldoor met vader en moeder
samen was geweest en van alles met hen samen gedaan had. Moeder werkte
anders altijd de hele morgen, vader de hele week en keek 's avonds veel TV.
Bovendien sportte hij het hele weekend. Zij waren er niet aan gewend om van
alles met hun zoontje samen te doen. Het kind ook niet met hen. Vroeger
wilde hij altijd met rust gelaten worden, daar waren zij alle drie nog aan
gewend. Het bleek b.v. dat hij in hun vakantie vaak urenlang, naar hun idee
heel tevreden, alléén in die grote kamer boven, over de zee had zitten
kijken. Victor was dus nog niet erg veeleisend en erg geduldig. Hij had het
blijkbaar zo al heel fijn gevonden.
Eveneens in de vakantie had hij aan zijn ouders hulp bij iets gevraagd, maar
zij hadden daar niet meteen tijd voor gehad. Toen het lang duurde had hij
het niet wéér gevraagd, maar was begonnen een tijdje op de rug van zijn
handje te blazen. Toen het nog langer duurde was hij zachtjes in zijn handen
gaan klappen, tot zij eindelijk kwamen. Een verbazingwekkend verschil met
het onberekenbare, autistische, driftige kleutertje dat nog helemaal op
baby- en peuterniveau functioneerde en het leven van zijn hele familie
ontregeld had.
THEO
Theo, een slanke pre-puber van 12 jaar trof ik op het heel brede en lange
trottoir, bijna een pleintje, voor hun huis. Met rare kleine pasjes huppelde
hij zigzaggend heen en weer over het pleintje, waarbij hij een lang
donkerrood koordje, met om de 10 cm. een dikke knoop er in, voor zijn ogen
op en neer liet dansen en slieren. Eerst ontweek hij mij telkens als ik naar
hem toeliep, tot ik zei dat ik het zo’n mooi koordje vond en vroeg of ik het
ook even mocht laten dansen. Toen was er meteen contact! Hij zei het in
kleine zinnetjes, zonder werkwoord. Wel goed uitgesproken. Hij was net terug
van (de L.O.M.) school, begreep ik. Weer verder huppelend ging hij weer
kriskras over het pleintje.
Zijn moeder kwam buiten en stond op het punt hem te roepen om mij door hem
netjes te laten begroeten. Ik vertelde haar dat het bij deze kinderen
genezend werkt als je hen zelf laat beslissen Ik vertelde dat hij mij al
spontaan over zijn school verteld had en dat ik zijn koord had mogen laten
dansen en dat dit al heel bijzonder was voor een eerste contact. Dat ze Theo
de leiding kon laten nemen, heel kameraadschappelijk, zodat hij zich geen
klein probleemgeval meer zou voelen, wat voor deze kinderen een reden is
zich juist opvallend vreemd te gaan gedragen. Zij willen graag zelf over
zichzelf beslissen en ‘voor vol’ aangezien worden Bij hem op de bank gaan
zitten en over gewone dingen en over zijn koordje praten, dat U dat ook mooi
vindt e.d. En even losjes met een arm om zijn schouder (als dat van hem mág)
b.v. zeggen “ga je even mee een kop thee drinken?” en dan samen naar binnen
gaan, zodat hij zich er normaal bij voelt horen. Zijn moeder nam dit
verschil in aanpak heel positief op!.
De tweede keer, weer op het pleintje, kwam hij meteen naar mij toe, slierend
met het rode koordje, maar normaler lopend. Hij ging even met mij op de bank
zitten, maar wilde toen naar binnen en naar boven. Daar was hij altijd als
hij thuis was, terwijl de familie beneden zat.
Zijn moeder had mij die ochtend opgebeld over de verheugende laatste
nieuwtjes: “Hij is ineens erg veranderd, erg opgeknapt!” was het eerste wat
zij zei: “Waarschijnlijk komt dat van dat omarmen,” toen we samen buiten op
de bank zaten en later ook thuis op de bank in onze gang. Hij was niet zoals
altijd, alleen boven gaan zitten, maar hij was meegegaan naar de huiskamer
en was daar zelfs ineens van alles gaan zéggen. En hij was de platenspeler
gaan bedienen ! Hij koos bepaalde muziekjes en hij was veel gezelliger!
De juffrouw uit zijn klas, die niets wist van het omarmen door moeder, had
opgemerkt, dat hij ineens zoveel beter werkte en ineens met alles mee deed,
terwijl hij dat nooit gewild had. Ik vroeg moeder, hem “voor vol” te
behandelen, hem soms de leiding te laten nemen of zijn hulp met iets te
vragen.
Hij nam mij die middag mee naar boven. In de slaapkamer van zijn ouders daar
hád hij iets, zei hij. In de slaapkamer deed hij de la van de commode open,
pakte er een serie mooie, zacht getinte beha-tjes van moeder uit, (die hij
al eerder tot een lange sliert in elkaar gehaakt had). Die liet hij, laaiend
enthousiast, op en neer zwieren, terwijl hij daarbij op het bed van zijn
ouders wild ronddanste. Moeder kwam later ook boven, was zeer geschokt en
wilde de sliert van hem afnemen. Ik seinde, vanaf de overzijde van het bed,
de sliert niet af te nemen, maar méé te doen en appreciatie te tonen voor
zijn vrolijke spelletje en zelf desnoods gauw nog iets anders te verzinnen
om hem daarmee te laten dansen. Dat hij het waarschijnlijk wel begrijpen zou
dat zij bang was, dat die tere dingetjes kapot zouden gaan. Dat klopte ook.
Analoog aan Victor had ook hij nu een geslaagd dagelijks contact met zijn
familie gemaakt, waarop hij verder kon bouwen. Hij ging bv, net als Victor,
ook spontaan, elke avond voor het zijraampje van de voordeur staan wachten
op vaders thuiskomst!
Omdat ik kort hierna voor een half jaar naar Amerika zou gaan om voor mijn
pasgeboren achterkleinzoon te zorgen, heb ik Theo daarna uit het oog
verloren.
Rustig autist kunnen zijn zou niet moeten mogen!
Een "beschadigde", voor mensen angstig geworden baby zal met succes alle
contact met moeder en met alle mensen afwijzen. Dat verschaft hem de rust en
de stilte die deze autistiform reagerende baby’s blijkbaar nodig hebben om
zich prettig te voelen. Het leidt echter tot het ontstaan van een steeds
meer autistiform, afwijzend, eenzelvig leefpatroon: Het kindje groeit wel,
maar blijft verder op lichamelijk, emotioneel en geestelijk niveau als een
baby functioneren, geheel op zichzelf gericht. Het gaat geen geluidjes
maken, niet lachen, blijft lang liggen, gaat zich later liever voort
-schuiven, i.p.v. kruipen, kwijlt veel, gaat niet kauwen, wil dus, soms
jarenlang, (zie Victor) alleen vloeibaar voedsel gebruiken. Het kindje kan,
door naar iets te staren, of met het binnen zijn gezichtsveld maken van
gebaren met zijn handjes, urenlang bezig zijn. Het slaapt 's nachts slecht
en is dan storend actief, of huilt urenlang. Er is geen belangstelling voor
mensen. Die worden vaak totaal genegeerd, speciaal de moeder.
Een dergelijke baby had van zijn moeder dus JUIST NIET die rust moeten
krijgen, maar had zoveel mogelijk geactiveerd moeten worden, in haar armen,
op haar schoot tegen het kindje pratend en veel ervoor zingend en ‘stoeiend’
er mee spelend. Dit alles zonder het kind dwingend in de ogen te kijken,
zodat het kind moeders ogen ongestoord zelf kan bekijken om er (weer) mee
vertrouwd te raken.
Mogelijk omdat men de onmisbare waarde van de onbeschadigde symbiotische
band met de moeder voor het leven van een jong kindje tegenwoordig minder
goed beseft, werd de laatste tijd een verontrustende toename van het aantal
jonge autistjes gemeld. En dat, zonder dat men iets hoort over veelvuldig
Mother-child Holding (Volhardend Omarmen) om te trachten dit nog te
voorkomen en het te genezen. Bijvoorbeeld ook doordat de moeder zou
besluiten weer geheel zelf haar baby te gaan bemoederen en helemaal zelf
voor haar baby te gaan zorgen; een moeilijk lijkende beslissing
tegenwoordig, vooral voor een 100% werkende moeder.
Wij zijn van mening dat wij in Nederland aan een begeleidende organisatie
voor moeders met hun pasgeboren baby’s toe zijn (zoals Allan dit destijds
organiseerde in Canada, klik: Het bestaan van de Holding- of
Omarmingstherapie moet meer bekendheid krijgen, nu wanhopige ouders zich
telkens om hulp (eind 2007 o.a. in Utrecht) tot psychologen of psychiaters
wenden, omdat zij na één, twee of drie jaar nog steeds niet weten hoe zij
met hun nog steeds zwijgende, huilerige en moeilijk hanteerbare kindje
moeten omgaan en het willen laten testen om te weten te komen of hun kind
achterlijk, of misschien zelfs autistisch is. Waarschijnlijk hebben zij nog
nooit van de Omarmingstherapie gehoord.
***
Zie ook het boek: “Autisme/ Verbroken symbiose”
ISBN 90 – 265 – 0583- 3 (1999)
Lichamelijke oorzaak van autisme is zeldzaam.
Autisme is vrijwel zeker zelden van lichamelijke oorsprong, in tegenstelling
tot de heersende opvattingen hierover in de medische wereld, hoewel men er
nooit een lichamelijke oorzaak voor heeft kunnen aantonen en evenmin een
lichamelijke therapie.
Recent bleek echter toevallig, dat er een vorm van autisme wél van
lichamelijke aard is en ook te genezen. Enkele ouders, allen met een
hopeloos continu huilende, kortgeleden geboren baby, die bij aanraking pijn
leek te hebben en zich ook vreemd gedroeg, gingen er mee naar een arts voor
orthomanuele geneeskunde mw. Dr. M. Sickesz in Den Haag. Zij constateerde,
dat er bij deze baby’s een verschuiving had plaatsgevonden van het
schedeltje t.o.v. de bovenste nekwervel, de z.g. atlas. Dit bleek mechanisch
veroorzaakt te zijn tijdens de bevalling, bijvoorbeeld bij een
vacuümextractie of een tangverlossing. Gelukkig bleek deze schade veelal
vrij eenvoudig te herstellen, doordat de orthomanuele therapeute het
schedeltje meestal weer op zijn plaats wist te schuiven
De grote verrassing, ook voor de orthomanuele arts, was telkens, dat niet
alleen de lichamelijke symptomen, maar ook het vreemde, autistische gedrag
van de kindertjes verminderd, of zelfs verdwenen was!
Ouders van al wat oudere autistische kinderen die eerder zo’n mechanische
verlossing hadden doorstaan, meldden zich toen ook met hun kind. Naarmate de
verschuiving van het schedeltje ten opzichte van de wervel bij hen langer
had bestaan, duurde het bij hen ook wat langer vóór de verbeteringen van hun
toestand duidelijker werden, maar ze maakten meestal wel meteen een beter
contact.
Bij alle veel oudere autistische kinderen die in voorafgaande jaren ook een
abnormale mechanische geboorte hadden doorstaan, hadden de medici geen
verband gelegd met een mogelijke beschadiging tijdens de bevalling, want zij
wisten niets van dit soort beschadigingen en zouden zonder de orthomanuele
artsen er waarschijnlijk ook nooit van gehoord hebben.
Deze al wat oudere autistische kinderen zouden zo snel mogelijk moeten
worden opgespoord. Tientallen zouden nog geholpen kunnen worden, door hun
moeder en vader over hun geboorte te ondervragen. Het is echter de vraag of
deze kinderen zelf weten dat zij een kunstverlossing hebben ondergaan en of
de ouders weten wat daarvan de consequenties geweest kunnen zijn. Kinderen
die lichamelijke en geestelijke klachten hebben, veroorzaakt tijdens hun
geboorte, zouden alsnog allemaal door een orthomanuele arts onderzocht
moeten worden. Uitgezocht zou moeten worden of zij een herkenbare groep
onder de autisten vertegenwoordigen.
Maar ten slotte zouden alle autisten aan de beurt moeten komen Per kind kost
het onderzoek weinig tijd en -althans bij de babies - de behandeling
evenmin. Bovendien kunnen er, afgezien van bij de bevallingen, bij elk
pasgeboren kindje ongelukken hebben plaatsgevonden, zoals een whiplash na
een val, of bij het onhandig gedragen worden, zodat daarbij het hoofdje
achterover viel. Bij elke probleembaby zou deze controle niet overdreven
zijn.
Ook na voorhoofdsligging en achterhoofdsligging tijdens de geboorte schijnen
deze afwijkingen te kunnen ontstaan , waarnaar dus ook gezocht zou moeten
worden om ze alsnog te kunnen genezen.
Jo Stades- Veth, 5-12-2000
Holding is een moederlijke vorm van intensive care d.w.z. met intense,
langdurige omarmingen, liefst op schoot, aandacht van de moeder en eventueel
ook van de vader geven.. Het moet worden volgehouden, tot het kind zijn
verdrietige en boze verzet opgeeft en zich tegen haar of hem aan gaat
vlijen.
Autisme is dus niet per se van lichamelijke oorsprong zoals de algemene
opvatting in de medische wereld nog steeds is, al hebben medici nooit de
oorzaak ervan kunnen opsporen en er evenmin een lichamelijke therapie voor
gevonden.
Sinds kort bleek echter toevallig ,dat er een vorm van autisme wél van
lichamelijke aard is en ook te genezen. Enkele ouders, allen met een
hopeloos continu huilende, kortgeleden geboren baby, die bij aanraking pijn
leek te hebben en zich ook vreemd gedroeg, gingen er mee naar een arts voor
orthomanuele geneeskunde mw. Dr. M. Sickesz in Den Haag. Zij constateerde,
dat er bij deze baby’s een verschuiving had plaatsgevonden van het
schedeltje t.o.v.de bovenste nekwervel, de z.g.atlas. Dit bleek bij hen
mechanisch veroorzaakt te zijn tijdens de bevalling, door een
tangverlossing, of bij een vacuümextractie. Gelukkig bleek deze schade
meestal vrij eenvoudig te herstellen, doordat de orthomanuele therapeute het
schedeltje meestal weer op zijn plaats wist te schuiven
De grote verrassing, ook voor de orthomanuele arts was toen telkens, dat
niet alleen de lichamelijke symptomen, maar ook het vreemde, autistische
gedrag van de kindertjes verminderd, of zelfs verdwenen was!
Ouders van al wat oudere autistische kinderen die eerder zo’n mechanische
verlossing hadden doorstaan, meldden zich toen ook met hun kind. Naarmate de
verschuiving van het schedeltje t.o.v.de wervel bij hen langer had bestaan,
duurde het bij hen ook wat langer voor de verbeteringen van hun toestand
duidelijker werden ,maar ze maakten meestal wel meteen een beter contact.
Bij alle veel oudere autistische kinderen die in voorafgaande jaren ook zo’n
abnormale mechanische geboorte hadden moeten ondergaan, hadden de medici het
verband met de door hun ingreep tijdens de bevalling veroorzaakte
beschadiging bij deze babies, niet begrepen, niet kunnen begrijpen ,want zij
wisten niets van dit soort beschadigingen en zouden zonder de orthomanuele
artsen er w.s.ook nooit van gehoord hebben.
..Deze al wat oudere autistische kinderen zouden gauw moeten worden
opgespoord.. Anders zullen zij onnodig verder moeten leven met. abnormaal
functionerende hersenfuncties.. Tientallen zouden echter nog uit hun lijden
kunnen worden verlost, door hun moeder en vader over hun geboorte te
ondervragen. Het is echter de vraag of deze kinderen zelf weten dat zij een
tangverlossing hebben ondergaan en of de ouders weten wat daarvan de
consequenties geweest kunnen zijn. Kinderen die lichamelijke en geestelijke
klachten hebben, veroorzaakt tijdens hun geboorte, zouden alsnog allemaal
door een orthomanuele arts onderzocht moeten worden. Uitgezocht zal moeten
worden of zij een herkenbaar groepje onder de autisten vertegenwoordigen.
Maar ten slotte zullen alle autisten aan de beurt moeten komen Op zichzelf
kost het onderzoek weinig tijd en -althans bij de babies-de behandeling
evenmin.Bovendien kunnen er, afgezien van bij de bevallingen, bij elk
pasgeboren kindje ongelukken hebben plaatsgevonden, zoals een whiplash na
een val, of bij het onhandig gedragen worden, zodat daarbij het hoofdje
achterover viel. Bij elke probleembaby zou een controle niet overdreven
zijn.
Ook na voorhoofdsligging en achterhoofdsligging schijnen tijdens de geboorte
deze afwijkingen te kunnen ontstaan , waarnaar dus ook gezocht zou moeten
worden.om ze alsnog te kunnen genezen.